11.11.21

Leren loslaten

Ik moet leren loslaten. Zoals velen.  Daarom volg ik een online cursus. Elke dag wordt me in een filmpje haarfijn uitgelegd waar het probleem zit met dat loslaten. Neurotransmitters en amygdala, dopamine en  emotionele stress respons. Ik mediteer en adem de balast van me af tot ik er duizelig van wordt.

Ik moet jou leren loslaten en dat is niet makkelijk, want je plakt op elke neurotransmitter en zit in elke cel. Je drenkt mijn wereld in serotonine en versmoort me in dopamine. Maar je winkel in geluksstofjes is nu gesloten. Dat heb je beslist als was het een opgelegde quarantainemaatregel.

“Adem in je buik, net onder je navel en maak ruimte rond je boosheid.” vertelt mijn coach.
In de cursus staat dat emoties geen gevoelens  zijn. En lust hoort niet bij de positieve aspecten van het leven.  Ik ben nog helemaal niet klaar met lust en zeker niet als het over loslaten gaat. Ik wil je vasthouden, hardhandig tegen de muur drukken en in je ogen roepen “Praat met mij”. Ik wil nog zoveel andere dingen met je doen, maar niet als een tam konijn de balans handhaven in de hersenpan.

De vlinders in mijn buik zijn een noodtoestand van het lichaam. Dat lees ik op internet. Bij heftige emoties wordt de bloedtoevoer beperkt. Een chemisch veiligheidsmechanisme van je brein.

Ik begin aan een mail. Om het verlangen in mijn brein te sussen.

“Je stilte maakt alles kapot”, schrijf ik. Ik sluit de ogen, adem diep onder mijn navel en maak ruimte rond het gevoel.

“Je maakt alles kapot”, herschrijf ik de zin. “En nog een keer, diep ademhalen onder de navel”  zegt de coach in zachte cadans,  “… en maak verbinding met je hart.”

“Alles kapot”, pas ik aan. “En we doen het nog een keer. Diep ademhalen, concentreer je op het nare gevoel en adem errond.”

“Kapot” kort ik in. Die alles is ook overdreven. Ik adem diep in en zoek je onder mijn navel. Dat prikkelige tekort, van bloedbaan naar zenuw en botten.

Ik wis het woord kapot en stuur je een lege mail.

10.11.21

Konijn

Wat zich niet laat vangen blijft wild. Dat heeft ze niet gezegd, maar ik had het graag gehoord.
Veel van wat ze zei bleef niet hangen. Het werd vergeten omdat het niet onthouden kon worden. Niet veilig en te gek voor woorden. En wat je gek maakt wil je niet als herinnering.

 

1.11.21

1 nov

Ik sta uit te hijgen tegen een boom na het lopen. Het is nog rustig in het bos.
In de verte hoor ik stemmen dichterbij komen.
Van achter de varens verschijnen een paar verzorgde grijze kruinen. Twee vrouwen van 60 + in modieuze Jack Wolfskin wandelkledij stappen kordaat langs me heen.
“Ik ben toch blij dat die lelijke bloemen weg zijn.” zegt de ene met opluchting in de stem.
“Zij ligt rechts achter, hé. “
“Ah, daar ligt zij!” antwoordt de andere met verbazing. “Ligt zijn niet bij hem dan?”
“Nee, ze mocht niet. Van de parochie. Want hij ligt naast ons moeke.” De  stem van de eerste vrouw stokt even en ze pauzeert. “Zijn eerste vrouw.” verduidelijkt ze. “Zij mocht daar niet liggen.”
“Hm, maar soms zie je dat wel, hé.” antwoordt de andere vrouw.
“Kijk maar naar die van Van Laeken. Dat is wel wat anders.” Er klinkt een lichte afgunst in haar stem.
“Ja, maar die liggen breder, hé” verduidelijkt de eerste vrouw geduldig.
’t Schijnt dan die van Van Laeken … De vrouwen draaien een paadje in en het geluid sterft weg.

 

25.1.07

Griezelgedicht

Omdat zij er nu toch over begint.
Dit griezelgedicht heeft heel lang op de kleerkast in mijn kamer gehangen:

Anne Sexton - The Lost Lie

There is rust in my mouth,
the stain of an old kiss.
And my eyes are turning purple,
my mouth is glue
and my hands are two stones
and the heart,
is still there,
that place where love dwelt
but it is nailed into place.
Still I feel no pity for these oddities,
in fact the feeling is one of hatred.
For it is only the child in me bursting out
and I keep plotting how to kill her.

Once there was a woman,
full as a theater of moon
and love begot love
and the child, when she peeked out,
did not hate herself back then.
Funny, funny, love what you do.
But today I roam a dead house,
a frozen kitchen, a bedroom
like a gas chamber.
The bed itself is an operating table
where my dreams slice me into pieces.

Oh love,
the terror,
the fright wig,
that your dear curly head
was, was, was, was.

11.1.07

het leven

Ik had nochtans gezworen dat ik me niet zou laten doen door het leven.
In die suffe kop, die trage vetklomp, had een elektrische verbinding een besluit tot stand gebracht. Van punt één naar het andere. Blijf vrolijk. Geniet.
Maar chagrijnigheid zit blijkbaar ingebakken in alles wat ik doen.
Het is zoals waterskiën op blote voeten. Het kleinste twijgje of obstakel op het water kan een drama veroorzaken als je erover walst.
Ik heb me al tot het boeddhisme gewend. Dat hielp niet echt. Een cynicus blijft tenslotte een zwartkijker. Leven na leven, nee….
Weet je wat mijn probleem is? Daar heb ik namelijk al uren (alles bij elkaar dagen) op doorgemaald. Dat heb ik mooi gelokaliseerd. Mezelf aangepraat.
Ik kan niet gelukkig zijn. Er is een stuk dat ontbreekt en ik slaag er niet in om te vinden waar het ontbreekt, laat staan wat.
Echt structureel zoek ik niet. Laten we zeggen dat ik voornamelijk intuïtief te werk ga.
Daarbij natuurlijk eerst die domeinen aftastend die me het best liggen. Beginnen bij het voor de hand liggende gebied van het trauma. Als amateur-psycholoog graven in jezelf is leuk, maar het is voornamelijk een eenzame bezigheid. Verveelt gauw. Analyse van zonden en deugden. Daar kunnen we voor een hele tijd mee aan de slag. In de uithoeken van de ziel zoeken naar het beest, het beest vinden en er dan van weglopen. Veel zonden, weinig deugden.
Streng zijn voor jezelf. Leg een filter over je bewustzijn. Een blauwdruk van je projecties en verwachtingen. Zoek vervolgens de uitweg uit dat labyrint.

Dat bewustzijn wikkel ik al jaren in, als een mummie in een sarcofaag. Zo’n uitgedroogd, taai stuk gebalsemd leer zonder inhoud. Omhulsel. Ik heb het behandeld met chemicaliën en kruiden. Gemarineerd en ontsmet. En toen dat niet hielp genegeerd en geschopt. Tot het wegkroop als een geslagen hond. Ik navigeer blind nu, op kaart en kompas. Autostop en veel te voet.

Ik zoek een deur om door binnen te komen, een goeie deur, niet zo’n achtertuinpoortje of een stukgeslagen raam. Geen autodeur met centrale vergrendeling.

16.11.06

Uit te roepen op leeg podium

Dat gij mij nodig hebt als een stuk orgaan. Mijn vlees.
En het enige dat ik me nog herinner is die blik van u toen ik efkes uit mijn rol schoot en alles een moment lang anders was. Ik zag het in uw ogen: wanhoop binnenstebuiten gekeerd.
Toen dacht ik: is dit een teken, een intersectie met de toekomst? Want tijd is immers niet lineair. Is dit een teken dan, om te zeggen dat ik net zo goed bij u kon zijn dan bij haar?

1.11.06

Crisisjaren

Die jaren waren crisisjaren in de stad.
De muren blonken van het vet, zwetend in de warmte. Kinderen werden ziek. De politiek leek in slaap gedompeld. Er was geen energie voor luid gelach, muziek of theater.
Met de avondschemer verviel de stad in een plakkerige stilte.
Het was op zo'n warme zomeravond dat ik haar voor het eerst zag.
Mensen verzamelden aan de rivier, om koelte en een zuchtje wind te vinden. Kettingen van zoekers, alleenstaanden die de slaap niet konden vatten. Die niet verlangden naar hun hete bed met zware lakens.

29.6.06

Nieuwe woorden

Gedumpt zegt de krant. Vermoord en gedumpt.
En ’s avonds in bed zeg je dat ik niet genoeg woorden voor je heb.
Ik noem ze op, jouw woorden en je zegt:“ Dat is niet genoeg.”
En dan merk ik dat er niet genoeg woorden zijn om jou te beschrijven.

Wat kennen wij? Riooldeksel, ondergronds kanaal, spoorwegberm, jungle, struikgewas, gewurgd, dna, parket, verdachte, seksueel misbruik, delinquent, onderzoek. Vermoord en gedumpt.

Ik moet een woord vinden voor mooie witte steen op een keienstrand, gestroomlijnde golf die naar de branding toe beweegt. Licht dat geometrisch doorsijpelt op een stoffige ondergrond. Zachte huid waardoor je een heupbeen voelt, het dikke, donkere vel van tepels, het geluid van vuurwerk in de verte, de kracht waarmee een fles ontkurkt wordt, de beelden die ik zie als ik het scherm uitzet en m’n ogen dichtknijp.

9.5.06

Mijn man is manisch

Mijn man is manisch
Ik weet meer dan de dingen
die ik me kan herinneren

De jaren werden korter
Hij deed zijn nachtschoenen aan
Ik werd bang
En heb sindsdien de sleutel van mijn dochter

Hij kan heel bezorgde dingen zeggen
Met veel geluk
Maar heeft om zich te uiten
de gevallen engel nodig

En het hele huis dat hij bouwde
Zo mismaakt als mijn bedriegen

De periodes zin zijn bijna ongemerkt geworden
Meestal blijft hij achterop, altijd terug bij
Maar soms loopt hij
of wordt hij zo mijn leven
dat hij weer helder lijkt
Op de 10 jaar geluk
en dan kan hij lief zijn
Alsof jij mij niet hebt gehad

5.5.06

Ons

Jonge wijn in je glas. Scheut.
En de pijn in haar ogen.
De woede als een vuurbal in haar maag.
Vuurvreter kotst de jaren uit.

13.4.06

Stad (3)

Het stinkt hier als de pest. Buurman kakt zeker in een hoekje van de kamer.
Zijn wekker loopt al een halve dag af en de dubbele hartslag bonkt door.
Gisterennacht is er ingebroken bij de overburen (niet Lulu, maar daarnaast in C45). Een pak geld weg bestemd voor het betalen van een waarborg aan de eigenaar van het appartement. Eén van de twee jongens die er wonen is regelrecht in een psychose geraakt. Voor zover ik weet zijn er geen instellingen in de stad. Zouden ze hem naar één of ander groendorp sturen? Hij is in ieder geval plots verdwenen.
De andere kerel kan de huur niet meer betalen en pakt z'n spullen bij elkaar.

Overmorgen wordt de buurman begraven. Bleek dat hij al twee dagen midden in zijn eigen ingewanden lag te rotten.
"Doodsoorzaak darmsluiting, maagcatarrh, galkoliek. Ik weet het niet." Zucht de dokter.
"Dat betekent dat je je eigen stront uitbraakt." Zegt mijn andere buurman, een dandy met een blonde vrouw die graag doorkijkbloezen draagt. Hij ruikt naar haarlak en staat geamuseerd toe te kijken in de deuropening.

Ik ben niet gaan kijken, maar ik zag de politiefotograaf kokhalzend naar buiten strompelen. Daarna kwam een desinfectieploeg de hele gang en de appartementen onderspuiten met een roos goedje. Ze zeiden niets. Misschien is het wel besmettelijk. Een van hen gaf me een papiertje "Overheidsdienst 32189: Overheidsgebouwen, nazorg & desinfectie bij overlijdens".

10.4.06

Stad (2)

Mijn naaste buurman heeft zich al twee dagen niet laten zien.
Zijn nieuwe vriendin is kwaad vertrokken en hij is daar nog steeds niet van bekomen.
Zijn klanten bellen vruchteloos aan en hangen teleurgesteld op de gang rond.
De deur blijft toe.
Buurman. De jezus van de scheermesjes. De discipel van de koffielepel.
De snuivende zondaar stampend tegen alles wat zich ook maar enigszins gelukkig voelt. Zijn ogen zijn ondoorzichtige knikkers gedrenkt in petroleum.
Geen straaltje licht bereikt zijn uitgedroogd netvlies. Hij eet zand. Elke dag een handvol. Om zijn brandend maagzuur te bedwingen. Het helpt niet. Ik hoor hem boeren door de muur heen.

dat Gij Liefde zijt, en eenzaam

Voordat ik in de Nacht ga die voor eeuwig lichtloos gloeit,
wil ik nog eenmaal spreken, en dit zeggen:
Dat ik nooit anders heb gezocht
dan U, dan U, dan U alleen.

Gerard Reve (1923-2006)
De Meedogenloze Jongen (In strakke Jeans gehuld) huilt nu wellicht Purperen Tranen.

7.4.06

Stad

Zoals in elke stad zijn ook hier wijken ontstaan. Wolkenkrabberwijken. De dure buurten hebben spiegelruiten, ruimte, kunstig geconstrueerde terrassen, permanente camerabewaking, geluidsdichte muren en deuren.

De krabbers die de doodgewone mens kan betalen zijn eigenlijk onleefbaar. Verhuurders kunnen zich alles permitteren, want wie in het bezit is van enig vastgoed stelt zijn eigen huurwetten op.

De goedkopere krabbers zijn oud, vuil, grauw en verkrotten langzaam. Er wordt geprutst met gasboilers en met het elektriciteitsnet.
De schimmelige gangen lopen vol spelende kinderen. Vanuit openstaande deuren van appartementen klinkt geroep. Radio's en televisietoestellen staan te luid tegen elkaar op te spelen. De airco is stuk en de geur van gebakken vet en vis vermengt zich met die van kattenpis. Alles is hier hersteld, gebricoleerd en lelijk.

Ik neem een appartement op het einde van een vrij rustige gang in een beruchte krabber.

“Een nest vol criminelen, vreemdelingen en bendes”, zeggen de oude mensen.
De jongen van wie ik het hok overneem leeft er al drie maanden zonder elektriciteit of water, samen met z'n twee gigantische herdershonden. Hij heeft zowat alles meegepikt wat hij kan gebruiken: deurklinken, wc-bril, brievenbus.
Ik sluit me twee weken op en verf de muren. Lees prulromannetjes. Elke dag kijk ik naar de bruine vochtkringen die opnieuw verschijnen op de pas gewitte muren. Naast mij woont een drugdealer denk ik. De hele dag door lopen mensen er binnen en buiten. 's Nachts draait hij slechte muziek. Eén keer loopt hij om 5 uur 's morgens door de gang te brullen om aandacht. Hij spuit een anarchieteken op zijn deur en zet zijn punkmuziek nu nog harder. Door de muur hoor ik basdrums als dubbele hartslagen. Nakende geboorte of is het zwanger met de dood.

Achter de deur rechtover woont een meisje alleen, Lulu. Zwart haar en veel eyeliner. Als ze uitgaat brengt ze gewoonlijk iemand mee naar huis. De hele gang hoort haar klaarkomen.

6.4.06

netwerk

Een vrouw zit op de trein. Mensen bekijken haar. Ze is gekleed in het zwart. Sober maar stijlvol. Ze gaat naar de hoofdstad. Niet als zichzelf maar als vertegenwoordiger voor een bedrijf en het gaat over miljoenen. Daarom heeft ze zich een identiteit aangemeten.
Zwart geeft haar een goed gevoel.
Ze is rustig, want ondanks de chaos in haar hoofd is ze erin geslaagd op tijd te parkeren bij het station, een kaartje te kopen en de trein te halen.
Met verende tred stapt ze door de straten van de hoofdstad naar het gebouw met de 3 draaideuren waar zelfs de muren bekleed zijn met tapijten en eruit zien als de board rooms uit Amerikaanse films.
Ze moet contacten maken, maar de naamkaartjes ontbreken. "De printer heeft het laten afweten," verontschuldigt de secretaresse zich bij het onthaal.
Ze prutst aan de knopen van haar nieuwe jas. De knopen komen los, één voor één.
Ze zet zich neer, gegeneerd. Bloed stijgt naar haar hoofd als ze een knoop opraapt die onder een stoel gerold is.
Luisteren. De lucht is warm en droog. Een man spreekt in abstracte begrippen. Woorden in ambtenarentaal waar ze de betekenis niet kan achterhalen. “Mainstreaming” en andere vormen van communicatie waarbij ze zich niets kan voorstellen. Ze tekent cirkels op een blocnote. De man naast haar tekent een auto.
Plots draait de vrouw die voor haar zit zich om. In paniek.
Hand voor haar neus en mond. Een dikke bloeddruppel valt op haar grijze wollen rok.
“Heeft u soms een papieren zakdoekje?”

5.2.06

St. Rita Regennacht

Mijn kamer is beige beige beige. Schapenpis. De muren oneffen. Ik kan de schilderstrepen zien vanuit mijn bed. Tandpijn door de ijskoude zinken verwarmingselementen en het piepende bed als ik beweeg.
's avonds hoor ik de leidingen trillen. Het water loopt de hele nacht. Ik droom over het kind.

's Nachts breek ik los. Ik sluip door de gangen. Mijn voeten zacht over de gladde tegels. In de gangen wordt beige groen door de nachtverlichting. Ik glijd langs muren, voorbij een raam. Mijn voeten zijn gevoelloos en mijn vingernagels bloeden.
Aan het einde van de gang staat een engel. Een blonde engel in witte jas. Een jonge boom van 1m90. Twee handen uitgestrekt nemen me vast en trekken me mee schuifelend. Ik lig dicht tegen het lichaam aan dat beweegt door de gang. Het danst met mij. Danst mij helemaal terug naar mijn kamer tot ik mijn voeten weer voel tintelen en mijn handen gloeien. Geen woord. Ik zie een gapende wonde in het voorhoofd.

Als ik 's morgens wakker wordt loop ik voorbij het raam van de nachtzuster. Een dikke vette gans zit daar te breien. "Is de nachtzuster hier?" vraag ik. "Al weg" antwoordt de gans zonder op te kijken van haar breiwerk. Ik druk m'n nagels in m'n handpalmen en slof naar de ontbijtzaal.

31.1.06

pap

Waarom lacht ze niet? Waar is haar sarcasme?
Waarom is ze een platte doos zoals een bord vol pap?
Altijd te veel, maar je denkt dat je anders honger zal hebben.

12.1.06

veer

Waar begint het, in welke tijd? Geen.
Er was eens een vrouw die voelde dat er iets ontbrak.
Moest ze uit mechanische onderdelen opgebouwd zijn, dan zou ze denken: een veer.
Of één of andere hefboom die meer olie nodig had.
Maar het equivalent van een metalen veer in een mensenlichaam? Ze kon het niet vertalen.
Al van toen ze klein was wile ze weten wat er in de aarde zat. Waarom?
Misschien omdat ze er uiteindelijk zou eindigen. In die lagen stuifzand of humus, leem of lei.
Hoe meer ze zich in zichzelf keerde, hoe dieper en holler ze werd.
Of waren het haar wortels die steeds verder vertakten en dun werden als haren?
De vrouw was niet ongelukkig. Ze kon openbloeien. Ze leefde in een mooi huis met een mooie man en dieren.
Haar tuin was 's zomers een paradijs vol vreemde planten. Orchideeën groeiden op de muren. Cactussen schoten hun bloemen 4 meter hoog de lucht in. Bijen werden haast gek van de overvloed aan nectar die ze er vonden.
De vrouw zat graag in de tuin, voeten in de aarde.
Ze dacht dan aan alle verhalen die ze al had gehoord.
Aan al die levens die ze wilde aanraken, vasthouden voor enkele minuten, in een poging ze te begrijpen.

5.12.05

Gat

Het huis oogt koud en onbewoond. Grote barsten lopen van het balkon op de eerste verdieping naar beneden langs het voorportaal. De ruiten zijn stoffig vuil van de aanhoudende regen. Mijn kamer ligt aan de achterkant, onder het dak. Mijn kamer vol barsten en scheuren en vochtige muren. Moeder zit beneden terwijl ik uren lang in de spiegel staar. Ik staar en huil, omdat er niets anders is. Misschien ben ik niet goed bij m'n hoofd, een zottin. Misschien is het mijn lichaam dat mij voor de zot houdt.
Zo zot als een achterdeur. Goed opgevoed maar ergens uit de bocht gegaan. Door de mand gevallen. Ontmanteld.
Manisch depressief, gebrek aan levenslust, zeggen de dokters. Ze bedoelen dat er een groot zwart gat is in mijn ziel waarin alles verdwijnt en opgeslorpt wordt. "Daar moeten we aan werken," mompelen de specialisten, maar volgens mij is dat gat niet op te vullen. De randen zijn niet stevig genoeg. Alles verdwijnt krantenpapier, vulcement, betonijzers.
Mijn moeder wil dat ik een job zoek, zodat ze 's avonds kan koken voor iemand die het nodig heeft. Dan kan ze zich om vijf uur vlug naar de supermarkt haasten, in zichzelf mompelend "Amaai ik heb weer tijd te kort vandaag." Ze weet het, van dat gat. Ze is bang dat ze op een dag zelf zal verdwijnen. Gisteren zei ze dat ze me niet meer herkent. Dat ik... en dan stopt ze en zucht ze diep. Ik steek een sigaret op en proef de ontsmettingsgeur van het ziekenhuis. Het hospitaal waar ik een jaar gewoond heb, waar ze gespecialiseerd zijn in het opbouwen van constructieve persoonlijkheden en waar ze alles opnemen op cassette.

2.12.05

RVA

Wie in de stad verblijft maar geen officiële job en dus geen inkomen heeft, moet naar de RVA. Het RVA-gebouw is het op één na vuilste overheidsgebouw van de stad.
De ingang is volledig verstopt onder stellingen en zeilen. De gevel wordt gereinigd.

Het gebouw is oud en er zijn al ettelijke verdiepingen bijgebouwd.
Vermits elke verbouwing of uitbreiding via een openbare aanbesteding verloopt (nu ja, het helpt wel als men graag gezien is bij de architectenorde) is de overheid verplicht telkens in te gaan op het goedkoopste aanbod. Afhankelijk van de beurskoersen, fluctuaties op de bouwmarkt worden steeds andere grondstoffen gebruikt. Van Franse steen tot cementblokken.

Het gebouw ligt vol met dossiers. Enkel op de benedenverdieping werkt de slome administratie verder tussen zand- en stofpartikels. De gangen zijn opgedeeld in hokken en volgepakt met bureau’s. De occasionele nieuwe werkkracht heeft soms dagen nog om de weg naar zijn/haar bureau te memoriseren.
Tweemaal per dag, bij aankomst en vertrek, wordt verwacht dat je iedereen op je weg begroet. Dan gonst het gebouw als een bijenkorf en is telefoneren onmogelijk.

Vlagen fijne zandkorrels waaien door de kieren van ramen en deuren binnen in de wachtkamer en het geluid van de zandstraalmachine buiten rafelt je zenuwen uit.
Velen geven het wachten al na enkele uren op.

Eindelijk komt de verantwoordelijke je halen voor de verklaring. Je zwalpt achter hem aan naar zijn bureau door kleurloze gangen. Elke actie die je ondernomen hebt, een job, inschrijving, een opleiding of een excuus om geen van beiden te hebben gedaan, krijgt een enkele regel in je dossier. Chronologisch.
Als er ooit een regel vergeten wordt in je dossier, kan dit nooit meer gecorrigeerd worden.
"Waarom heb je formulier C567bis hoofdstuk angsten niet ingevuld?" vraagt de verantwoordelijke me.
Ik zie zijn lippen bewegen maar hoor enkel zwaar ruisende sinusgolven. Hij houdt het papier bijna tegen mijn gezicht en wijst. Zijn vinger bevindt zich net boven het hokje vliegangst.
"Geen angsten." zeg ik snel.
Hij zucht en krabt met de punt van een schaar in zijn nek.
"Het is geloofwaardiger als je toch én of twee angsten aankruist hoor", zegt hij zuur.
Hij legt de schaar terug. Er kleeft bloed aan. Zweetdruppels rollen van zijn voorhoofd.
"Claustrofobie en euh ... faalangst." vult hij aan.
Ik knik onverschillig.
Het tekenen van de verklaring is steeds een beproeving.
Eerst leest de ambtenaar het volledige document voor. Ik knik zwijgend bij elke nieuwe bepaling, terwijl de ogen van de ambtenaar langzaam veranderen.
De irissen lopen uit als eidooiers. Paarsachtige tranen lopen vanuit zijn ooghoeken over zijn gezicht.

Ik teken een bestempeld blad vol leugens die buiten dit gebouw niet bestaan.



Twee weken later. Hulpkas.
Bij de hulpkas word je steeds opnieuw doorgestuurd omdat er extra rubrieken ingevuld moeten worden, werkdagen bewezen en verduidelijking moet worden verschaft bij het dossier.

Er staat een huisvrouw aan het loket. Ze vraagt of ze een vergoeding voor alleenstaande probleemvrouwen kan krijgen, want ze zit in die categorie.

Eindelijk is het mijn beurt. Ik mag aan één van de twee loketten een aanvraagformulier invullen. "Bel ons vanmiddag maar op" antwoordt de vrouw achter het glas. Het dossier is nog niet rond.

Aan de andere kant van de lijn hoor ik kantoorgeruis. Het lijkt alsof deze geluiden zorgvuldig opgenomen en gefilterd zijn. Stemmen net niet verstaanbaar, het ratelen van toetsenborden, sterk gecompresseerd.
Na een kwartier, als vanuit een vacuüm zegt een stem: "Ik kan helaas uw dossier niet meteen terugvinden. Kunt u morgen terugbellen?"
Net voor ze de hoorn oplegt, hoor ik op de achtergrond een kind huilen.

16.10.05

huh?

Ik heb geen geheugen
enkel de rode kantjes
van de melige moeder
die reilt en zeilt
in het luchtledige

In het holle bed
besta ik weet ik
vanuit een ander perspectief
En 's morgens
weegt de zwaartekracht

27.9.05

Dagboek van een waanzinnige week 3

Vandaag op de trein kwam er een knappe, jonge vrouw tegenover me zitten. Ze leende m’n pen (die niet werkte). Ze huilde. De hele rit was een nachtmerrie. De vrouw keek naar zichzelf in de ruit. Er hing een ondraaglijke spanning. Ik kon niets doen, niets zeggen. Na een tijdje was het alsof ik haar kende. Het leek erop dat ik zonder iets te zeggen toch nuttig was, omdat ik er zat.
In het station aangekomen zei ze tegen me: “Nog 20 minuten”. Ze lachte door haar tranen.
Toen ik opstond zei ik met m’n stomme kop: “Er komt een einde aan. Het beste.”
Ik trilde toen ik uitstapte.
Een hopeloos hoofd heb ik. Te groot en te eng. Er is zelfs geen plaats voor iemand anders.

23.9.05

Dagboek van een waanzinnige Week 2

Op het gebied van dromen kan ik nu al veel dingen. Bvb niet echt slapen, sluimeren en dromen alsof mijn geest volledig weg is. Meer alsof ik zelf in mijn onderbewuste rondzwerf.
Ik kan me in gezelschap afsluiten en niet meer denken. Dood.

Gisteren kreeg ik weer van die vieze hallucinaties. Dikwijls voel ik me alsof delen van mijn lichaam niet van mij zijn. Ik kan ook heel snel beelden oproepen.
Ik verander helemaal.

Nu worden al mijn gevoelens omgezet in negatieve woede.
Iemand vertelde me dat hij verliefd is en plots realiseerde ik me hoe alleen ik eigenlijk ben. Al die jaren. Vroeger zorgde communicatie –eerlijk of vals- toch steeds voor sterke emoties.

Ik kijk geen tv meer.

22.9.05

Dagboek van een waanzinnige week 1

Ik lijd aan een acute vorm van solipsisme. Dromen, altijd maar opnieuw. Nachtmerries over grootwarenhuizen en producten. Hoge gebouwen en verdwaalde mensen die ik ken. Een nieuwe obsessie M.
Ik weet niet wat ik zeg. Het is alsof ik regelrecht vanuit mijn onderbewuste praat en ik kan het niet controleren.
Ik zeg verkeerde dingen. Later kan ik me dan wel voor m’n kop slaan.
Oppervlakte is leegheid geworden. Ik heb mijn greep verloren.
Een zelfmoord. Grootmoeder brengt het nieuws. De wereld is te klein geworden voor sommige mensen.
Vriend S. wordt een geestesverwant. Hij doet rare dingen. Zoals jongens kussen.

Ik twijfel nog: is het enkel opvulling, of is het echt?

Op perron nul in Rotterdam wordt een dealer afgemaakt met twee kogels.
De minister schuift lachend zijn lege bord opzij en snuift een lijntje coke.

De meeste dingen glijden langs me heen.

21.9.05

jubilee

Ivy is dood. Al jaren. Het was een auto-ongeluk. Ze kwam van haar werk en werd verrast door een tegenligger, die op haar rijvak slingerde op het verkeerde moment.
Het is jaren geleden dat ik haar stem nog hoorde. Ik zou haar willen zien nu. Kleine lachrimpels onder haar ogen. Ik vraag me af of het litteken op haar voorhoofd er nog hetzelfde uitziet. Of het aangetast is door de tijd.
Zou ze problemen hebben met haar rug? Door het werken, het heffen en tillen van tegenspartelende patiënten? Hoe is het als iemand sterft en ook nog blijft leven?
Wat doe je met al die keuzes?
Was ze misschien aan de drank geraakt. Of bij haar partner weggegaan en een nieuw leven begonnen in een andere stad, een ander land. Mensen doen zo van die gekke dingen als ze ouder worden.

Ik vraag me af waar iedereen naar toe is. Wat is 10 jaar? Ik hoor dat ver weg in het geboortedorp een vriendin niet zwanger kan worden. Ze neemt hormonen, vermagert, wordt iemand anders, krijgt een tweeling. Ik durf haar niet te bezoeken. Wij zijn niet meer wie we waren.

20.9.05

zucht

Wat maakt de metafoor een steen?
De woorden een muur tussen ons.
Ik schrijf moeizaam, kras letter per letter.

11.8.05

Valavond

Valavond. Bij -15° liepen we door de hoofdstraat van een vreemde, grijze stad, glijdend over het ijs een donkere bar binnen. Het was alsof we terug schoolmeisjes waren. Je had iets raars met tijd en stiptheid. Daarom moesten we ons na het drinken plots haasten en snel terug lopen naar ons hotel. Glad ijs. We lachten en gingen bijna onderuit. We grepen elkaars arm vast en wankelden.

dit ogenblik tot eeuwigheid

6.7.05

Geolied

We hadden plannen. We gingen uit die nacht. We vonden een discoteca waar wij de enige buitenlanders waren. Een grote zaal en een podium met roodfluwelen gordijnen. Tafels met wit linnen en garçons in tuxedo, bewegend als knipmessen. En in het midden de dansvloer. We waanden ons in een vooroorlogse music hall. Terwijl op het podium smartlappen werden afgewisseld met wilde volksmuziek en schaarsgeklede dames die liefdesliedjes zongen, dronken we wijn.
We moesten soms roepen in elkaars oor. Ik wilde je meer en meer, maar ik kon niet uitmaken waarom. Misschien alleen omdat je me voedde. Als scharnieren van een machine die plots verder draaiden. Geolied, zodat er beweging in kwam. Een hele wereld ging open en ik kon zien in de verte.
Ik wist dat het niet je hart was dat sprak, maar pure lust. Mijn ogen gevangen door je vingers op de hals van je wijnglas. Mijn stem onzeker in een vreemde taal.
Voor het eerst besefte ik de kracht van woorden. Ik zag wat er ontbrak in jou. En jij, jij spak over hoe we konden verdwijnen in de nacht. Die ene nacht die ons nog restte. Zo ver van huis dat een tussenlanding noodzakelijk was. Zo ver van wat ons leven was.
Wat valt er uiteindelijk nog te zeggen, als je jezelf shockeert. Als het verlies zo groot is dat je het niet kan bevatten.