13.4.06

Stad (3)

Het stinkt hier als de pest. Buurman kakt zeker in een hoekje van de kamer.
Zijn wekker loopt al een halve dag af en de dubbele hartslag bonkt door.
Gisterennacht is er ingebroken bij de overburen (niet Lulu, maar daarnaast in C45). Een pak geld weg bestemd voor het betalen van een waarborg aan de eigenaar van het appartement. Eén van de twee jongens die er wonen is regelrecht in een psychose geraakt. Voor zover ik weet zijn er geen instellingen in de stad. Zouden ze hem naar één of ander groendorp sturen? Hij is in ieder geval plots verdwenen.
De andere kerel kan de huur niet meer betalen en pakt z'n spullen bij elkaar.

Overmorgen wordt de buurman begraven. Bleek dat hij al twee dagen midden in zijn eigen ingewanden lag te rotten.
"Doodsoorzaak darmsluiting, maagcatarrh, galkoliek. Ik weet het niet." Zucht de dokter.
"Dat betekent dat je je eigen stront uitbraakt." Zegt mijn andere buurman, een dandy met een blonde vrouw die graag doorkijkbloezen draagt. Hij ruikt naar haarlak en staat geamuseerd toe te kijken in de deuropening.

Ik ben niet gaan kijken, maar ik zag de politiefotograaf kokhalzend naar buiten strompelen. Daarna kwam een desinfectieploeg de hele gang en de appartementen onderspuiten met een roos goedje. Ze zeiden niets. Misschien is het wel besmettelijk. Een van hen gaf me een papiertje "Overheidsdienst 32189: Overheidsgebouwen, nazorg & desinfectie bij overlijdens".

10.4.06

Stad (2)

Mijn naaste buurman heeft zich al twee dagen niet laten zien.
Zijn nieuwe vriendin is kwaad vertrokken en hij is daar nog steeds niet van bekomen.
Zijn klanten bellen vruchteloos aan en hangen teleurgesteld op de gang rond.
De deur blijft toe.
Buurman. De jezus van de scheermesjes. De discipel van de koffielepel.
De snuivende zondaar stampend tegen alles wat zich ook maar enigszins gelukkig voelt. Zijn ogen zijn ondoorzichtige knikkers gedrenkt in petroleum.
Geen straaltje licht bereikt zijn uitgedroogd netvlies. Hij eet zand. Elke dag een handvol. Om zijn brandend maagzuur te bedwingen. Het helpt niet. Ik hoor hem boeren door de muur heen.

dat Gij Liefde zijt, en eenzaam

Voordat ik in de Nacht ga die voor eeuwig lichtloos gloeit,
wil ik nog eenmaal spreken, en dit zeggen:
Dat ik nooit anders heb gezocht
dan U, dan U, dan U alleen.

Gerard Reve (1923-2006)
De Meedogenloze Jongen (In strakke Jeans gehuld) huilt nu wellicht Purperen Tranen.

7.4.06

Stad

Zoals in elke stad zijn ook hier wijken ontstaan. Wolkenkrabberwijken. De dure buurten hebben spiegelruiten, ruimte, kunstig geconstrueerde terrassen, permanente camerabewaking, geluidsdichte muren en deuren.

De krabbers die de doodgewone mens kan betalen zijn eigenlijk onleefbaar. Verhuurders kunnen zich alles permitteren, want wie in het bezit is van enig vastgoed stelt zijn eigen huurwetten op.

De goedkopere krabbers zijn oud, vuil, grauw en verkrotten langzaam. Er wordt geprutst met gasboilers en met het elektriciteitsnet.
De schimmelige gangen lopen vol spelende kinderen. Vanuit openstaande deuren van appartementen klinkt geroep. Radio's en televisietoestellen staan te luid tegen elkaar op te spelen. De airco is stuk en de geur van gebakken vet en vis vermengt zich met die van kattenpis. Alles is hier hersteld, gebricoleerd en lelijk.

Ik neem een appartement op het einde van een vrij rustige gang in een beruchte krabber.

“Een nest vol criminelen, vreemdelingen en bendes”, zeggen de oude mensen.
De jongen van wie ik het hok overneem leeft er al drie maanden zonder elektriciteit of water, samen met z'n twee gigantische herdershonden. Hij heeft zowat alles meegepikt wat hij kan gebruiken: deurklinken, wc-bril, brievenbus.
Ik sluit me twee weken op en verf de muren. Lees prulromannetjes. Elke dag kijk ik naar de bruine vochtkringen die opnieuw verschijnen op de pas gewitte muren. Naast mij woont een drugdealer denk ik. De hele dag door lopen mensen er binnen en buiten. 's Nachts draait hij slechte muziek. Eén keer loopt hij om 5 uur 's morgens door de gang te brullen om aandacht. Hij spuit een anarchieteken op zijn deur en zet zijn punkmuziek nu nog harder. Door de muur hoor ik basdrums als dubbele hartslagen. Nakende geboorte of is het zwanger met de dood.

Achter de deur rechtover woont een meisje alleen, Lulu. Zwart haar en veel eyeliner. Als ze uitgaat brengt ze gewoonlijk iemand mee naar huis. De hele gang hoort haar klaarkomen.

6.4.06

netwerk

Een vrouw zit op de trein. Mensen bekijken haar. Ze is gekleed in het zwart. Sober maar stijlvol. Ze gaat naar de hoofdstad. Niet als zichzelf maar als vertegenwoordiger voor een bedrijf en het gaat over miljoenen. Daarom heeft ze zich een identiteit aangemeten.
Zwart geeft haar een goed gevoel.
Ze is rustig, want ondanks de chaos in haar hoofd is ze erin geslaagd op tijd te parkeren bij het station, een kaartje te kopen en de trein te halen.
Met verende tred stapt ze door de straten van de hoofdstad naar het gebouw met de 3 draaideuren waar zelfs de muren bekleed zijn met tapijten en eruit zien als de board rooms uit Amerikaanse films.
Ze moet contacten maken, maar de naamkaartjes ontbreken. "De printer heeft het laten afweten," verontschuldigt de secretaresse zich bij het onthaal.
Ze prutst aan de knopen van haar nieuwe jas. De knopen komen los, één voor één.
Ze zet zich neer, gegeneerd. Bloed stijgt naar haar hoofd als ze een knoop opraapt die onder een stoel gerold is.
Luisteren. De lucht is warm en droog. Een man spreekt in abstracte begrippen. Woorden in ambtenarentaal waar ze de betekenis niet kan achterhalen. “Mainstreaming” en andere vormen van communicatie waarbij ze zich niets kan voorstellen. Ze tekent cirkels op een blocnote. De man naast haar tekent een auto.
Plots draait de vrouw die voor haar zit zich om. In paniek.
Hand voor haar neus en mond. Een dikke bloeddruppel valt op haar grijze wollen rok.
“Heeft u soms een papieren zakdoekje?”