16.11.06
Uit te roepen op leeg podium
En het enige dat ik me nog herinner is die blik van u toen ik efkes uit mijn rol schoot en alles een moment lang anders was. Ik zag het in uw ogen: wanhoop binnenstebuiten gekeerd.
Toen dacht ik: is dit een teken, een intersectie met de toekomst? Want tijd is immers niet lineair. Is dit een teken dan, om te zeggen dat ik net zo goed bij u kon zijn dan bij haar?
1.11.06
Crisisjaren
De muren blonken van het vet, zwetend in de warmte. Kinderen werden ziek. De politiek leek in slaap gedompeld. Er was geen energie voor luid gelach, muziek of theater.
Met de avondschemer verviel de stad in een plakkerige stilte.
Het was op zo'n warme zomeravond dat ik haar voor het eerst zag.
Mensen verzamelden aan de rivier, om koelte en een zuchtje wind te vinden. Kettingen van zoekers, alleenstaanden die de slaap niet konden vatten. Die niet verlangden naar hun hete bed met zware lakens.
29.6.06
Nieuwe woorden
Gedumpt zegt de krant. Vermoord en gedumpt.
En ’s avonds in bed zeg je dat ik niet genoeg woorden voor je heb.
Ik noem ze op, jouw woorden en je zegt:“ Dat is niet genoeg.”
En dan merk ik dat er niet genoeg woorden zijn om jou te beschrijven.
Wat kennen wij? Riooldeksel, ondergronds kanaal, spoorwegberm, jungle, struikgewas, gewurgd, dna, parket, verdachte, seksueel misbruik, delinquent, onderzoek. Vermoord en gedumpt.
Ik moet een woord vinden voor mooie witte steen op een keienstrand, gestroomlijnde golf die naar de branding toe beweegt. Licht dat geometrisch doorsijpelt op een stoffige ondergrond. Zachte huid waardoor je een heupbeen voelt, het dikke, donkere vel van tepels, het geluid van vuurwerk in de verte, de kracht waarmee een fles ontkurkt wordt, de beelden die ik zie als ik het scherm uitzet en m’n ogen dichtknijp.
9.5.06
Mijn man is manisch
Ik weet meer dan de dingen
die ik me kan herinneren
De jaren werden korter
Hij deed zijn nachtschoenen aan
Ik werd bang
En heb sindsdien de sleutel van mijn dochter
Hij kan heel bezorgde dingen zeggen
Met veel geluk
Maar heeft om zich te uiten
de gevallen engel nodig
En het hele huis dat hij bouwde
Zo mismaakt als mijn bedriegen
De periodes zin zijn bijna ongemerkt geworden
Meestal blijft hij achterop, altijd terug bij
Maar soms loopt hij
of wordt hij zo mijn leven
dat hij weer helder lijkt
Op de 10 jaar geluk
en dan kan hij lief zijn
Alsof jij mij niet hebt gehad
5.5.06
Ons
En de pijn in haar ogen.
De woede als een vuurbal in haar maag.
Vuurvreter kotst de jaren uit.
13.4.06
Stad (3)
Zijn wekker loopt al een halve dag af en de dubbele hartslag bonkt door.
Gisterennacht is er ingebroken bij de overburen (niet Lulu, maar daarnaast in C45). Een pak geld weg bestemd voor het betalen van een waarborg aan de eigenaar van het appartement. Eén van de twee jongens die er wonen is regelrecht in een psychose geraakt. Voor zover ik weet zijn er geen instellingen in de stad. Zouden ze hem naar één of ander groendorp sturen? Hij is in ieder geval plots verdwenen.
De andere kerel kan de huur niet meer betalen en pakt z'n spullen bij elkaar.
Overmorgen wordt de buurman begraven. Bleek dat hij al twee dagen midden in zijn eigen ingewanden lag te rotten.
"Doodsoorzaak darmsluiting, maagcatarrh, galkoliek. Ik weet het niet." Zucht de dokter.
"Dat betekent dat je je eigen stront uitbraakt." Zegt mijn andere buurman, een dandy met een blonde vrouw die graag doorkijkbloezen draagt. Hij ruikt naar haarlak en staat geamuseerd toe te kijken in de deuropening.
Ik ben niet gaan kijken, maar ik zag de politiefotograaf kokhalzend naar buiten strompelen. Daarna kwam een desinfectieploeg de hele gang en de appartementen onderspuiten met een roos goedje. Ze zeiden niets. Misschien is het wel besmettelijk. Een van hen gaf me een papiertje "Overheidsdienst 32189: Overheidsgebouwen, nazorg & desinfectie bij overlijdens".
10.4.06
Stad (2)
Zijn nieuwe vriendin is kwaad vertrokken en hij is daar nog steeds niet van bekomen.
Zijn klanten bellen vruchteloos aan en hangen teleurgesteld op de gang rond.
De deur blijft toe.
Buurman. De jezus van de scheermesjes. De discipel van de koffielepel.
De snuivende zondaar stampend tegen alles wat zich ook maar enigszins gelukkig voelt. Zijn ogen zijn ondoorzichtige knikkers gedrenkt in petroleum.
Geen straaltje licht bereikt zijn uitgedroogd netvlies. Hij eet zand. Elke dag een handvol. Om zijn brandend maagzuur te bedwingen. Het helpt niet. Ik hoor hem boeren door de muur heen.
dat Gij Liefde zijt, en eenzaam
wil ik nog eenmaal spreken, en dit zeggen:
Dat ik nooit anders heb gezocht
dan U, dan U, dan U alleen.
Gerard Reve (1923-2006)
De Meedogenloze Jongen (In strakke Jeans gehuld) huilt nu wellicht Purperen Tranen.
7.4.06
Stad
De krabbers die de doodgewone mens kan betalen zijn eigenlijk onleefbaar. Verhuurders kunnen zich alles permitteren, want wie in het bezit is van enig vastgoed stelt zijn eigen huurwetten op.
De goedkopere krabbers zijn oud, vuil, grauw en verkrotten langzaam. Er wordt geprutst met gasboilers en met het elektriciteitsnet.
De schimmelige gangen lopen vol spelende kinderen. Vanuit openstaande deuren van appartementen klinkt geroep. Radio's en televisietoestellen staan te luid tegen elkaar op te spelen. De airco is stuk en de geur van gebakken vet en vis vermengt zich met die van kattenpis. Alles is hier hersteld, gebricoleerd en lelijk.
Ik neem een appartement op het einde van een vrij rustige gang in een beruchte krabber.
“Een nest vol criminelen, vreemdelingen en bendes”, zeggen de oude mensen.
De jongen van wie ik het hok overneem leeft er al drie maanden zonder elektriciteit of water, samen met z'n twee gigantische herdershonden. Hij heeft zowat alles meegepikt wat hij kan gebruiken: deurklinken, wc-bril, brievenbus.
Ik sluit me twee weken op en verf de muren. Lees prulromannetjes. Elke dag kijk ik naar de bruine vochtkringen die opnieuw verschijnen op de pas gewitte muren. Naast mij woont een drugdealer denk ik. De hele dag door lopen mensen er binnen en buiten. 's Nachts draait hij slechte muziek. Eén keer loopt hij om 5 uur 's morgens door de gang te brullen om aandacht. Hij spuit een anarchieteken op zijn deur en zet zijn punkmuziek nu nog harder. Door de muur hoor ik basdrums als dubbele hartslagen. Nakende geboorte of is het zwanger met de dood.
Achter de deur rechtover woont een meisje alleen, Lulu. Zwart haar en veel eyeliner. Als ze uitgaat brengt ze gewoonlijk iemand mee naar huis. De hele gang hoort haar klaarkomen.
6.4.06
netwerk
Zwart geeft haar een goed gevoel.
Ze is rustig, want ondanks de chaos in haar hoofd is ze erin geslaagd op tijd te parkeren bij het station, een kaartje te kopen en de trein te halen.
Met verende tred stapt ze door de straten van de hoofdstad naar het gebouw met de 3 draaideuren waar zelfs de muren bekleed zijn met tapijten en eruit zien als de board rooms uit Amerikaanse films.
Ze moet contacten maken, maar de naamkaartjes ontbreken. "De printer heeft het laten afweten," verontschuldigt de secretaresse zich bij het onthaal.
Ze prutst aan de knopen van haar nieuwe jas. De knopen komen los, één voor één.
Ze zet zich neer, gegeneerd. Bloed stijgt naar haar hoofd als ze een knoop opraapt die onder een stoel gerold is.
Luisteren. De lucht is warm en droog. Een man spreekt in abstracte begrippen. Woorden in ambtenarentaal waar ze de betekenis niet kan achterhalen. “Mainstreaming” en andere vormen van communicatie waarbij ze zich niets kan voorstellen. Ze tekent cirkels op een blocnote. De man naast haar tekent een auto.
Plots draait de vrouw die voor haar zit zich om. In paniek.
Hand voor haar neus en mond. Een dikke bloeddruppel valt op haar grijze wollen rok.
“Heeft u soms een papieren zakdoekje?”
5.2.06
St. Rita Regennacht
's avonds hoor ik de leidingen trillen. Het water loopt de hele nacht. Ik droom over het kind.
's Nachts breek ik los. Ik sluip door de gangen. Mijn voeten zacht over de gladde tegels. In de gangen wordt beige groen door de nachtverlichting. Ik glijd langs muren, voorbij een raam. Mijn voeten zijn gevoelloos en mijn vingernagels bloeden.
Aan het einde van de gang staat een engel. Een blonde engel in witte jas. Een jonge boom van 1m90. Twee handen uitgestrekt nemen me vast en trekken me mee schuifelend. Ik lig dicht tegen het lichaam aan dat beweegt door de gang. Het danst met mij. Danst mij helemaal terug naar mijn kamer tot ik mijn voeten weer voel tintelen en mijn handen gloeien. Geen woord. Ik zie een gapende wonde in het voorhoofd.
Als ik 's morgens wakker wordt loop ik voorbij het raam van de nachtzuster. Een dikke vette gans zit daar te breien. "Is de nachtzuster hier?" vraag ik. "Al weg" antwoordt de gans zonder op te kijken van haar breiwerk. Ik druk m'n nagels in m'n handpalmen en slof naar de ontbijtzaal.
31.1.06
pap
Waarom is ze een platte doos zoals een bord vol pap?
Altijd te veel, maar je denkt dat je anders honger zal hebben.
12.1.06
veer
Er was eens een vrouw die voelde dat er iets ontbrak.
Moest ze uit mechanische onderdelen opgebouwd zijn, dan zou ze denken: een veer.
Of één of andere hefboom die meer olie nodig had.
Maar het equivalent van een metalen veer in een mensenlichaam? Ze kon het niet vertalen.
Al van toen ze klein was wile ze weten wat er in de aarde zat. Waarom?
Misschien omdat ze er uiteindelijk zou eindigen. In die lagen stuifzand of humus, leem of lei.
Hoe meer ze zich in zichzelf keerde, hoe dieper en holler ze werd.
Of waren het haar wortels die steeds verder vertakten en dun werden als haren?
De vrouw was niet ongelukkig. Ze kon openbloeien. Ze leefde in een mooi huis met een mooie man en dieren.
Haar tuin was 's zomers een paradijs vol vreemde planten. Orchideeën groeiden op de muren. Cactussen schoten hun bloemen 4 meter hoog de lucht in. Bijen werden haast gek van de overvloed aan nectar die ze er vonden.
De vrouw zat graag in de tuin, voeten in de aarde.
Ze dacht dan aan alle verhalen die ze al had gehoord.
Aan al die levens die ze wilde aanraken, vasthouden voor enkele minuten, in een poging ze te begrijpen.