Het huis oogt koud en onbewoond. Grote barsten lopen van het balkon op de eerste verdieping naar beneden langs het voorportaal. De ruiten zijn stoffig vuil van de aanhoudende regen. Mijn kamer ligt aan de achterkant, onder het dak. Mijn kamer vol barsten en scheuren en vochtige muren. Moeder zit beneden terwijl ik uren lang in de spiegel staar. Ik staar en huil, omdat er niets anders is. Misschien ben ik niet goed bij m'n hoofd, een zottin. Misschien is het mijn lichaam dat mij voor de zot houdt.
Zo zot als een achterdeur. Goed opgevoed maar ergens uit de bocht gegaan. Door de mand gevallen. Ontmanteld.
Manisch depressief, gebrek aan levenslust, zeggen de dokters. Ze bedoelen dat er een groot zwart gat is in mijn ziel waarin alles verdwijnt en opgeslorpt wordt. "Daar moeten we aan werken," mompelen de specialisten, maar volgens mij is dat gat niet op te vullen. De randen zijn niet stevig genoeg. Alles verdwijnt krantenpapier, vulcement, betonijzers.
Mijn moeder wil dat ik een job zoek, zodat ze 's avonds kan koken voor iemand die het nodig heeft. Dan kan ze zich om vijf uur vlug naar de supermarkt haasten, in zichzelf mompelend "Amaai ik heb weer tijd te kort vandaag." Ze weet het, van dat gat. Ze is bang dat ze op een dag zelf zal verdwijnen. Gisteren zei ze dat ze me niet meer herkent. Dat ik... en dan stopt ze en zucht ze diep. Ik steek een sigaret op en proef de ontsmettingsgeur van het ziekenhuis. Het hospitaal waar ik een jaar gewoond heb, waar ze gespecialiseerd zijn in het opbouwen van constructieve persoonlijkheden en waar ze alles opnemen op cassette.
5.12.05
2.12.05
RVA
Wie in de stad verblijft maar geen officiële job en dus geen inkomen heeft, moet naar de RVA. Het RVA-gebouw is het op één na vuilste overheidsgebouw van de stad.
De ingang is volledig verstopt onder stellingen en zeilen. De gevel wordt gereinigd.
Het gebouw is oud en er zijn al ettelijke verdiepingen bijgebouwd.
Vermits elke verbouwing of uitbreiding via een openbare aanbesteding verloopt (nu ja, het helpt wel als men graag gezien is bij de architectenorde) is de overheid verplicht telkens in te gaan op het goedkoopste aanbod. Afhankelijk van de beurskoersen, fluctuaties op de bouwmarkt worden steeds andere grondstoffen gebruikt. Van Franse steen tot cementblokken.
Het gebouw ligt vol met dossiers. Enkel op de benedenverdieping werkt de slome administratie verder tussen zand- en stofpartikels. De gangen zijn opgedeeld in hokken en volgepakt met bureau’s. De occasionele nieuwe werkkracht heeft soms dagen nog om de weg naar zijn/haar bureau te memoriseren.
Tweemaal per dag, bij aankomst en vertrek, wordt verwacht dat je iedereen op je weg begroet. Dan gonst het gebouw als een bijenkorf en is telefoneren onmogelijk.
Vlagen fijne zandkorrels waaien door de kieren van ramen en deuren binnen in de wachtkamer en het geluid van de zandstraalmachine buiten rafelt je zenuwen uit.
Velen geven het wachten al na enkele uren op.
Eindelijk komt de verantwoordelijke je halen voor de verklaring. Je zwalpt achter hem aan naar zijn bureau door kleurloze gangen. Elke actie die je ondernomen hebt, een job, inschrijving, een opleiding of een excuus om geen van beiden te hebben gedaan, krijgt een enkele regel in je dossier. Chronologisch.
Als er ooit een regel vergeten wordt in je dossier, kan dit nooit meer gecorrigeerd worden.
"Waarom heb je formulier C567bis hoofdstuk angsten niet ingevuld?" vraagt de verantwoordelijke me.
Ik zie zijn lippen bewegen maar hoor enkel zwaar ruisende sinusgolven. Hij houdt het papier bijna tegen mijn gezicht en wijst. Zijn vinger bevindt zich net boven het hokje vliegangst.
"Geen angsten." zeg ik snel.
Hij zucht en krabt met de punt van een schaar in zijn nek.
"Het is geloofwaardiger als je toch én of twee angsten aankruist hoor", zegt hij zuur.
Hij legt de schaar terug. Er kleeft bloed aan. Zweetdruppels rollen van zijn voorhoofd.
"Claustrofobie en euh ... faalangst." vult hij aan.
Ik knik onverschillig.
Het tekenen van de verklaring is steeds een beproeving.
Eerst leest de ambtenaar het volledige document voor. Ik knik zwijgend bij elke nieuwe bepaling, terwijl de ogen van de ambtenaar langzaam veranderen.
De irissen lopen uit als eidooiers. Paarsachtige tranen lopen vanuit zijn ooghoeken over zijn gezicht.
Ik teken een bestempeld blad vol leugens die buiten dit gebouw niet bestaan.
Twee weken later. Hulpkas.
Bij de hulpkas word je steeds opnieuw doorgestuurd omdat er extra rubrieken ingevuld moeten worden, werkdagen bewezen en verduidelijking moet worden verschaft bij het dossier.
Er staat een huisvrouw aan het loket. Ze vraagt of ze een vergoeding voor alleenstaande probleemvrouwen kan krijgen, want ze zit in die categorie.
Eindelijk is het mijn beurt. Ik mag aan één van de twee loketten een aanvraagformulier invullen. "Bel ons vanmiddag maar op" antwoordt de vrouw achter het glas. Het dossier is nog niet rond.
Aan de andere kant van de lijn hoor ik kantoorgeruis. Het lijkt alsof deze geluiden zorgvuldig opgenomen en gefilterd zijn. Stemmen net niet verstaanbaar, het ratelen van toetsenborden, sterk gecompresseerd.
Na een kwartier, als vanuit een vacuüm zegt een stem: "Ik kan helaas uw dossier niet meteen terugvinden. Kunt u morgen terugbellen?"
Net voor ze de hoorn oplegt, hoor ik op de achtergrond een kind huilen.
De ingang is volledig verstopt onder stellingen en zeilen. De gevel wordt gereinigd.
Het gebouw is oud en er zijn al ettelijke verdiepingen bijgebouwd.
Vermits elke verbouwing of uitbreiding via een openbare aanbesteding verloopt (nu ja, het helpt wel als men graag gezien is bij de architectenorde) is de overheid verplicht telkens in te gaan op het goedkoopste aanbod. Afhankelijk van de beurskoersen, fluctuaties op de bouwmarkt worden steeds andere grondstoffen gebruikt. Van Franse steen tot cementblokken.
Het gebouw ligt vol met dossiers. Enkel op de benedenverdieping werkt de slome administratie verder tussen zand- en stofpartikels. De gangen zijn opgedeeld in hokken en volgepakt met bureau’s. De occasionele nieuwe werkkracht heeft soms dagen nog om de weg naar zijn/haar bureau te memoriseren.
Tweemaal per dag, bij aankomst en vertrek, wordt verwacht dat je iedereen op je weg begroet. Dan gonst het gebouw als een bijenkorf en is telefoneren onmogelijk.
Vlagen fijne zandkorrels waaien door de kieren van ramen en deuren binnen in de wachtkamer en het geluid van de zandstraalmachine buiten rafelt je zenuwen uit.
Velen geven het wachten al na enkele uren op.
Eindelijk komt de verantwoordelijke je halen voor de verklaring. Je zwalpt achter hem aan naar zijn bureau door kleurloze gangen. Elke actie die je ondernomen hebt, een job, inschrijving, een opleiding of een excuus om geen van beiden te hebben gedaan, krijgt een enkele regel in je dossier. Chronologisch.
Als er ooit een regel vergeten wordt in je dossier, kan dit nooit meer gecorrigeerd worden.
"Waarom heb je formulier C567bis hoofdstuk angsten niet ingevuld?" vraagt de verantwoordelijke me.
Ik zie zijn lippen bewegen maar hoor enkel zwaar ruisende sinusgolven. Hij houdt het papier bijna tegen mijn gezicht en wijst. Zijn vinger bevindt zich net boven het hokje vliegangst.
"Geen angsten." zeg ik snel.
Hij zucht en krabt met de punt van een schaar in zijn nek.
"Het is geloofwaardiger als je toch én of twee angsten aankruist hoor", zegt hij zuur.
Hij legt de schaar terug. Er kleeft bloed aan. Zweetdruppels rollen van zijn voorhoofd.
"Claustrofobie en euh ... faalangst." vult hij aan.
Ik knik onverschillig.
Het tekenen van de verklaring is steeds een beproeving.
Eerst leest de ambtenaar het volledige document voor. Ik knik zwijgend bij elke nieuwe bepaling, terwijl de ogen van de ambtenaar langzaam veranderen.
De irissen lopen uit als eidooiers. Paarsachtige tranen lopen vanuit zijn ooghoeken over zijn gezicht.
Ik teken een bestempeld blad vol leugens die buiten dit gebouw niet bestaan.
Twee weken later. Hulpkas.
Bij de hulpkas word je steeds opnieuw doorgestuurd omdat er extra rubrieken ingevuld moeten worden, werkdagen bewezen en verduidelijking moet worden verschaft bij het dossier.
Er staat een huisvrouw aan het loket. Ze vraagt of ze een vergoeding voor alleenstaande probleemvrouwen kan krijgen, want ze zit in die categorie.
Eindelijk is het mijn beurt. Ik mag aan één van de twee loketten een aanvraagformulier invullen. "Bel ons vanmiddag maar op" antwoordt de vrouw achter het glas. Het dossier is nog niet rond.
Aan de andere kant van de lijn hoor ik kantoorgeruis. Het lijkt alsof deze geluiden zorgvuldig opgenomen en gefilterd zijn. Stemmen net niet verstaanbaar, het ratelen van toetsenborden, sterk gecompresseerd.
Na een kwartier, als vanuit een vacuüm zegt een stem: "Ik kan helaas uw dossier niet meteen terugvinden. Kunt u morgen terugbellen?"
Net voor ze de hoorn oplegt, hoor ik op de achtergrond een kind huilen.
16.10.05
huh?
Ik heb geen geheugen
enkel de rode kantjes
van de melige moeder
die reilt en zeilt
in het luchtledige
In het holle bed
besta ik weet ik
vanuit een ander perspectief
En 's morgens
weegt de zwaartekracht
enkel de rode kantjes
van de melige moeder
die reilt en zeilt
in het luchtledige
In het holle bed
besta ik weet ik
vanuit een ander perspectief
En 's morgens
weegt de zwaartekracht
11.10.05
27.9.05
Dagboek van een waanzinnige week 3
Vandaag op de trein kwam er een knappe, jonge vrouw tegenover me zitten. Ze leende m’n pen (die niet werkte). Ze huilde. De hele rit was een nachtmerrie. De vrouw keek naar zichzelf in de ruit. Er hing een ondraaglijke spanning. Ik kon niets doen, niets zeggen. Na een tijdje was het alsof ik haar kende. Het leek erop dat ik zonder iets te zeggen toch nuttig was, omdat ik er zat.
In het station aangekomen zei ze tegen me: “Nog 20 minuten”. Ze lachte door haar tranen.
Toen ik opstond zei ik met m’n stomme kop: “Er komt een einde aan. Het beste.”
Ik trilde toen ik uitstapte.
Een hopeloos hoofd heb ik. Te groot en te eng. Er is zelfs geen plaats voor iemand anders.
In het station aangekomen zei ze tegen me: “Nog 20 minuten”. Ze lachte door haar tranen.
Toen ik opstond zei ik met m’n stomme kop: “Er komt een einde aan. Het beste.”
Ik trilde toen ik uitstapte.
Een hopeloos hoofd heb ik. Te groot en te eng. Er is zelfs geen plaats voor iemand anders.
23.9.05
Dagboek van een waanzinnige Week 2
Op het gebied van dromen kan ik nu al veel dingen. Bvb niet echt slapen, sluimeren en dromen alsof mijn geest volledig weg is. Meer alsof ik zelf in mijn onderbewuste rondzwerf.
Ik kan me in gezelschap afsluiten en niet meer denken. Dood.
Gisteren kreeg ik weer van die vieze hallucinaties. Dikwijls voel ik me alsof delen van mijn lichaam niet van mij zijn. Ik kan ook heel snel beelden oproepen.
Ik verander helemaal.
Nu worden al mijn gevoelens omgezet in negatieve woede.
Iemand vertelde me dat hij verliefd is en plots realiseerde ik me hoe alleen ik eigenlijk ben. Al die jaren. Vroeger zorgde communicatie –eerlijk of vals- toch steeds voor sterke emoties.
Ik kijk geen tv meer.
Ik kan me in gezelschap afsluiten en niet meer denken. Dood.
Gisteren kreeg ik weer van die vieze hallucinaties. Dikwijls voel ik me alsof delen van mijn lichaam niet van mij zijn. Ik kan ook heel snel beelden oproepen.
Ik verander helemaal.
Nu worden al mijn gevoelens omgezet in negatieve woede.
Iemand vertelde me dat hij verliefd is en plots realiseerde ik me hoe alleen ik eigenlijk ben. Al die jaren. Vroeger zorgde communicatie –eerlijk of vals- toch steeds voor sterke emoties.
Ik kijk geen tv meer.
22.9.05
Dagboek van een waanzinnige week 1
Ik lijd aan een acute vorm van solipsisme. Dromen, altijd maar opnieuw. Nachtmerries over grootwarenhuizen en producten. Hoge gebouwen en verdwaalde mensen die ik ken. Een nieuwe obsessie M.
Ik weet niet wat ik zeg. Het is alsof ik regelrecht vanuit mijn onderbewuste praat en ik kan het niet controleren.
Ik zeg verkeerde dingen. Later kan ik me dan wel voor m’n kop slaan.
Oppervlakte is leegheid geworden. Ik heb mijn greep verloren.
Een zelfmoord. Grootmoeder brengt het nieuws. De wereld is te klein geworden voor sommige mensen.
Vriend S. wordt een geestesverwant. Hij doet rare dingen. Zoals jongens kussen.
Ik twijfel nog: is het enkel opvulling, of is het echt?
Op perron nul in Rotterdam wordt een dealer afgemaakt met twee kogels.
De minister schuift lachend zijn lege bord opzij en snuift een lijntje coke.
De meeste dingen glijden langs me heen.
Ik weet niet wat ik zeg. Het is alsof ik regelrecht vanuit mijn onderbewuste praat en ik kan het niet controleren.
Ik zeg verkeerde dingen. Later kan ik me dan wel voor m’n kop slaan.
Oppervlakte is leegheid geworden. Ik heb mijn greep verloren.
Een zelfmoord. Grootmoeder brengt het nieuws. De wereld is te klein geworden voor sommige mensen.
Vriend S. wordt een geestesverwant. Hij doet rare dingen. Zoals jongens kussen.
Ik twijfel nog: is het enkel opvulling, of is het echt?
Op perron nul in Rotterdam wordt een dealer afgemaakt met twee kogels.
De minister schuift lachend zijn lege bord opzij en snuift een lijntje coke.
De meeste dingen glijden langs me heen.
21.9.05
jubilee
Ivy is dood. Al jaren. Het was een auto-ongeluk. Ze kwam van haar werk en werd verrast door een tegenligger, die op haar rijvak slingerde op het verkeerde moment.
Het is jaren geleden dat ik haar stem nog hoorde. Ik zou haar willen zien nu. Kleine lachrimpels onder haar ogen. Ik vraag me af of het litteken op haar voorhoofd er nog hetzelfde uitziet. Of het aangetast is door de tijd.
Zou ze problemen hebben met haar rug? Door het werken, het heffen en tillen van tegenspartelende patiënten? Hoe is het als iemand sterft en ook nog blijft leven?
Wat doe je met al die keuzes?
Was ze misschien aan de drank geraakt. Of bij haar partner weggegaan en een nieuw leven begonnen in een andere stad, een ander land. Mensen doen zo van die gekke dingen als ze ouder worden.
Ik vraag me af waar iedereen naar toe is. Wat is 10 jaar? Ik hoor dat ver weg in het geboortedorp een vriendin niet zwanger kan worden. Ze neemt hormonen, vermagert, wordt iemand anders, krijgt een tweeling. Ik durf haar niet te bezoeken. Wij zijn niet meer wie we waren.
Het is jaren geleden dat ik haar stem nog hoorde. Ik zou haar willen zien nu. Kleine lachrimpels onder haar ogen. Ik vraag me af of het litteken op haar voorhoofd er nog hetzelfde uitziet. Of het aangetast is door de tijd.
Zou ze problemen hebben met haar rug? Door het werken, het heffen en tillen van tegenspartelende patiënten? Hoe is het als iemand sterft en ook nog blijft leven?
Wat doe je met al die keuzes?
Was ze misschien aan de drank geraakt. Of bij haar partner weggegaan en een nieuw leven begonnen in een andere stad, een ander land. Mensen doen zo van die gekke dingen als ze ouder worden.
Ik vraag me af waar iedereen naar toe is. Wat is 10 jaar? Ik hoor dat ver weg in het geboortedorp een vriendin niet zwanger kan worden. Ze neemt hormonen, vermagert, wordt iemand anders, krijgt een tweeling. Ik durf haar niet te bezoeken. Wij zijn niet meer wie we waren.
20.9.05
zucht
Wat maakt de metafoor een steen?
De woorden een muur tussen ons.
Ik schrijf moeizaam, kras letter per letter.
De woorden een muur tussen ons.
Ik schrijf moeizaam, kras letter per letter.
11.8.05
Valavond
Valavond. Bij -15° liepen we door de hoofdstraat van een vreemde, grijze stad, glijdend over het ijs een donkere bar binnen. Het was alsof we terug schoolmeisjes waren. Je had iets raars met tijd en stiptheid. Daarom moesten we ons na het drinken plots haasten en snel terug lopen naar ons hotel. Glad ijs. We lachten en gingen bijna onderuit. We grepen elkaars arm vast en wankelden.
dit ogenblik tot eeuwigheid
dit ogenblik tot eeuwigheid
6.7.05
Geolied
We hadden plannen. We gingen uit die nacht. We vonden een discoteca waar wij de enige buitenlanders waren. Een grote zaal en een podium met roodfluwelen gordijnen. Tafels met wit linnen en garçons in tuxedo, bewegend als knipmessen. En in het midden de dansvloer. We waanden ons in een vooroorlogse music hall. Terwijl op het podium smartlappen werden afgewisseld met wilde volksmuziek en schaarsgeklede dames die liefdesliedjes zongen, dronken we wijn.
We moesten soms roepen in elkaars oor. Ik wilde je meer en meer, maar ik kon niet uitmaken waarom. Misschien alleen omdat je me voedde. Als scharnieren van een machine die plots verder draaiden. Geolied, zodat er beweging in kwam. Een hele wereld ging open en ik kon zien in de verte.
Ik wist dat het niet je hart was dat sprak, maar pure lust. Mijn ogen gevangen door je vingers op de hals van je wijnglas. Mijn stem onzeker in een vreemde taal.
Voor het eerst besefte ik de kracht van woorden. Ik zag wat er ontbrak in jou. En jij, jij spak over hoe we konden verdwijnen in de nacht. Die ene nacht die ons nog restte. Zo ver van huis dat een tussenlanding noodzakelijk was. Zo ver van wat ons leven was.
Wat valt er uiteindelijk nog te zeggen, als je jezelf shockeert. Als het verlies zo groot is dat je het niet kan bevatten.
We moesten soms roepen in elkaars oor. Ik wilde je meer en meer, maar ik kon niet uitmaken waarom. Misschien alleen omdat je me voedde. Als scharnieren van een machine die plots verder draaiden. Geolied, zodat er beweging in kwam. Een hele wereld ging open en ik kon zien in de verte.
Ik wist dat het niet je hart was dat sprak, maar pure lust. Mijn ogen gevangen door je vingers op de hals van je wijnglas. Mijn stem onzeker in een vreemde taal.
Voor het eerst besefte ik de kracht van woorden. Ik zag wat er ontbrak in jou. En jij, jij spak over hoe we konden verdwijnen in de nacht. Die ene nacht die ons nog restte. Zo ver van huis dat een tussenlanding noodzakelijk was. Zo ver van wat ons leven was.
Wat valt er uiteindelijk nog te zeggen, als je jezelf shockeert. Als het verlies zo groot is dat je het niet kan bevatten.
8.6.05
Sprookje
Als ze wakker wordt voelt de minnares zich als de prinses op de erwt. Nog trekken de vezels in het topje van haar kleine teen.
Ze is alleen in een kasteel vol waaiende deuren. Openen zich langzaam. Sluiten snel zodat je de tocht op je hielen voelt. It's all show-bizz.
Verlangen naar het onbereikbare. Een leven waar je geen touw aan kan vastknopen. Geen ster die je kan leiden in zo'n geval.
De erwtenkoning laat zijn beste lakeien opdraven om de twaalf deuren te openen die de minnares van de buitenwereld scheiden. Deuren van kwelling, jaloezie en dubbele dosissen kalmeermiddelen. Witte glazen deuren van instellingen en gangen vol kamers van vijf personen. En vooral veel sloten.
Waarom onthoudt een mens nu juist die dingen die zo verschrikkelijk zijn? Kwellingen en beproevingen uit dromen diep in de nacht die je uit je bed jagen naar de rust van de koelkast of het lege trappenhuis.
Zeven jaar lang dwaalde de minnares rond in het kasteel. Tot ze op een nacht de twaalfde deur bereikte. Als ze door de laatste deur naar buiten wil stappen, staat daar een oude man. "ik verkoop appels. Oogstappeltjes. Geïnteresseerd?"
De minnares slaat de deur toe en keert terug. Ze staat in de keuken van haar moeder en voelt een klap in haar gezicht.
"Ga zitten en eet." zegt moeder. Voor me staat een bord soep.
Ze is alleen in een kasteel vol waaiende deuren. Openen zich langzaam. Sluiten snel zodat je de tocht op je hielen voelt. It's all show-bizz.
Verlangen naar het onbereikbare. Een leven waar je geen touw aan kan vastknopen. Geen ster die je kan leiden in zo'n geval.
De erwtenkoning laat zijn beste lakeien opdraven om de twaalf deuren te openen die de minnares van de buitenwereld scheiden. Deuren van kwelling, jaloezie en dubbele dosissen kalmeermiddelen. Witte glazen deuren van instellingen en gangen vol kamers van vijf personen. En vooral veel sloten.
Waarom onthoudt een mens nu juist die dingen die zo verschrikkelijk zijn? Kwellingen en beproevingen uit dromen diep in de nacht die je uit je bed jagen naar de rust van de koelkast of het lege trappenhuis.
Zeven jaar lang dwaalde de minnares rond in het kasteel. Tot ze op een nacht de twaalfde deur bereikte. Als ze door de laatste deur naar buiten wil stappen, staat daar een oude man. "ik verkoop appels. Oogstappeltjes. Geïnteresseerd?"
De minnares slaat de deur toe en keert terug. Ze staat in de keuken van haar moeder en voelt een klap in haar gezicht.
"Ga zitten en eet." zegt moeder. Voor me staat een bord soep.
5.6.05
Andere woorden willen gebruiken
De vrouwen dansen, duwen hun heupen tegen elkaar. Ik zit neer op een drempel en denk “Godverdomme, hoe zou het zijn moest ik voor één keer de woorden die voel, die ik uitspreek in gedachten, kunnen onthouden.”
Ik denk aan vuile seks, verraad. Hoer. Het vertrouwen dat er niet is. Dief.
En niet uitdagen. Ik weet niet waar het ophoudt. Je naakte rug tussen de warme lakens in een bed.
Iemand kussen. Denken aan tong die duwt in je mond en langs je tanden glijdt. En seks zonder gevoelens alleen maar vel en behoeften om honger te stillen, aangeraakt te worden, te kreunen terwijl iemand anders het hoort.
Ik zit op de grond en wil niets. Ik wil onzichtbaar zijn, niet meer bestaan, wegbranden. Hier en nu, mij compleet overgeven, in coma gaan. Ik wil in mijn broek pissen als een oude dronkaard en buitengegooid worden, lachend. Ik wil vechten, krabben, duwen, neuken.
Ik denk aan vuile seks, verraad. Hoer. Het vertrouwen dat er niet is. Dief.
En niet uitdagen. Ik weet niet waar het ophoudt. Je naakte rug tussen de warme lakens in een bed.
Iemand kussen. Denken aan tong die duwt in je mond en langs je tanden glijdt. En seks zonder gevoelens alleen maar vel en behoeften om honger te stillen, aangeraakt te worden, te kreunen terwijl iemand anders het hoort.
Ik zit op de grond en wil niets. Ik wil onzichtbaar zijn, niet meer bestaan, wegbranden. Hier en nu, mij compleet overgeven, in coma gaan. Ik wil in mijn broek pissen als een oude dronkaard en buitengegooid worden, lachend. Ik wil vechten, krabben, duwen, neuken.
25.5.05
Minister van rand
Ik dacht dat het diep was, een afgrond. Dat er over het niets was.
En dat de minister van rand maar wankelend zijn evenwicht zoekt. En dat hij staat waar hij hoort, zwetend met oorsuizingen en angst die de spieren verhardt. Op de rand.
En dan denk ik aan mijn rand, aan onze rand en dat ik achter je moest lopen, omdat je niet zou kunnen verdragen me te moeten zien struikelen.
Het was niet de rand die ons doodsangsten gaf het was de afgrond. Het niets. Het was het niet kunnen aanraken van iets, het totale gebrek aan houvast. En we liepen met bonzende harten en we zeiden tegen elkaar, als we vallen zijn we dood. Dat is een zekerheid. Het sterven is mooi. Een val van duizend meter, zonder obstakels. Wat een luxe om de lucht zo te voelen.
De angst was te verliezen. Voor eeuwig achter te blijven in dit beeld van een gapend gat. En ik dacht: "Wat moet ik haar nog allemaal vertellen?" En voelde lucht duwen in mijn mond. Ik kon alleen maar zwijgen en zweten en hijgen.
En dat de minister van rand maar wankelend zijn evenwicht zoekt. En dat hij staat waar hij hoort, zwetend met oorsuizingen en angst die de spieren verhardt. Op de rand.
En dan denk ik aan mijn rand, aan onze rand en dat ik achter je moest lopen, omdat je niet zou kunnen verdragen me te moeten zien struikelen.
Het was niet de rand die ons doodsangsten gaf het was de afgrond. Het niets. Het was het niet kunnen aanraken van iets, het totale gebrek aan houvast. En we liepen met bonzende harten en we zeiden tegen elkaar, als we vallen zijn we dood. Dat is een zekerheid. Het sterven is mooi. Een val van duizend meter, zonder obstakels. Wat een luxe om de lucht zo te voelen.
De angst was te verliezen. Voor eeuwig achter te blijven in dit beeld van een gapend gat. En ik dacht: "Wat moet ik haar nog allemaal vertellen?" En voelde lucht duwen in mijn mond. Ik kon alleen maar zwijgen en zweten en hijgen.
17.5.05
13.5.05
Moord is een anagram voor droom
Voorspel
Drie mensen blijven achter in een verlaten café . Een stuk in de nacht. Muzak en gedimde lichten. Twee vrouwen, een man. Ze wachten. Zijn twee ex-geliefden.
De vrouwen horen al lang thuis te zijn, maar ze blijven, aangetrokken door de spanning die alleen zij in evenwicht kunnen houden. Het café moet gesloten worden, maar de sleutel is spoorloos. Zo gebeurt het dat er af en toe een zwaarbeschonken late klant komt binnen waaien. De ene vrouw schenkt hem dan bier, op kosten van de zaak.
Er wordt veel gezegd. Meer dan hardop wordt geuit.
De godin voert meestal het woord. Peilend naar de restanten van haar ex-minnaar. Zij zegt : "We zouden de deur kunnen barricaderen" maar bedoelt "Kan je ooit nog hetzelfde voelen als wij toen." Hij knikt alleen maar.
Iedereen zoekt licht 's nachts om half vier. Het donkerste punt in de wereld. Toch moet iemand gaan. "We laten hem gaan" zeggen de vrouwen tegen elkaar, want wie waagt het om deze plaats te verlaten. Tegen hem: "Zou je niet eens proberen iemand te bereiken ?"
Het einde van een grote avond. De zaak is opgeruimd. De tapkranen blinken in het schijnsel van de nachtverlichting. Een wrak van een man zit lijkbleek en zwijgt. Hij overweegt. De godin dirigeert de nacht.
Een telefoon rinkelt eindeloos. "Ik slaag er maar niet in iemand te bereiken." zucht hij.
De twee vrouwen zwijgen. Ze denken niets. Ze voelen: iemand heeft de behoefte gehad zichzelf te overtreffen.
"Zin in een raadseltje?" vraagt hij. "Hoe komt het dat dieren niet verliefd kunnen worden ?"
Hij loopt naar de deur en verdwijnt, slenterend langs het kanaal op zoek naar de sleutel.
Naspel
Moord is een anagram voor droom.
Wat als de dromen de realiteit overnemen. Dromen overvallen je als moordenaars.
En als minnaars. Le temps des assassins.
Haar blonde haar is kleverig van het ingedroogde bloed. Ze ligt op de grond.
In haar hoge voorhoofd een gat. De grootte van een kogel. Bloed loopt langs haar neusvleugels naar haar hals. Ze is alleen. Eindelijk.
Drie mensen blijven achter in een verlaten café . Een stuk in de nacht. Muzak en gedimde lichten. Twee vrouwen, een man. Ze wachten. Zijn twee ex-geliefden.
De vrouwen horen al lang thuis te zijn, maar ze blijven, aangetrokken door de spanning die alleen zij in evenwicht kunnen houden. Het café moet gesloten worden, maar de sleutel is spoorloos. Zo gebeurt het dat er af en toe een zwaarbeschonken late klant komt binnen waaien. De ene vrouw schenkt hem dan bier, op kosten van de zaak.
Er wordt veel gezegd. Meer dan hardop wordt geuit.
De godin voert meestal het woord. Peilend naar de restanten van haar ex-minnaar. Zij zegt : "We zouden de deur kunnen barricaderen" maar bedoelt "Kan je ooit nog hetzelfde voelen als wij toen." Hij knikt alleen maar.
Iedereen zoekt licht 's nachts om half vier. Het donkerste punt in de wereld. Toch moet iemand gaan. "We laten hem gaan" zeggen de vrouwen tegen elkaar, want wie waagt het om deze plaats te verlaten. Tegen hem: "Zou je niet eens proberen iemand te bereiken ?"
Het einde van een grote avond. De zaak is opgeruimd. De tapkranen blinken in het schijnsel van de nachtverlichting. Een wrak van een man zit lijkbleek en zwijgt. Hij overweegt. De godin dirigeert de nacht.
Een telefoon rinkelt eindeloos. "Ik slaag er maar niet in iemand te bereiken." zucht hij.
De twee vrouwen zwijgen. Ze denken niets. Ze voelen: iemand heeft de behoefte gehad zichzelf te overtreffen.
"Zin in een raadseltje?" vraagt hij. "Hoe komt het dat dieren niet verliefd kunnen worden ?"
Hij loopt naar de deur en verdwijnt, slenterend langs het kanaal op zoek naar de sleutel.
Naspel
Moord is een anagram voor droom.
Wat als de dromen de realiteit overnemen. Dromen overvallen je als moordenaars.
En als minnaars. Le temps des assassins.
Haar blonde haar is kleverig van het ingedroogde bloed. Ze ligt op de grond.
In haar hoge voorhoofd een gat. De grootte van een kogel. Bloed loopt langs haar neusvleugels naar haar hals. Ze is alleen. Eindelijk.
12.5.05
Rand
Wapenstilstand. Een feestdag. A. wordt gewekt door het tromgeroffel van een fanfare in de verte. Ze kronkelt haar ledematen als een kat. Naast haar ligt een man te slapen.
Ze heeft vrienden. Net als iedereen. Vrienden als slangen, die door relaties kruipen. Die haar vertellen wat ze niet wil horen.
A. merkt pas na de ontmoetigen hoezeer het haar uitput te praten. Een rol te spelen. Jezelf zijn. Jezelf.
A. speelt spelletjes. Die recycleert zij dagelijks in haar geest. Ver weg van alle feiten, op planeetwater diep genoeg om in te verzuipen. Een wonderbaarlijk leven, zegt men. Het meisje en de mythologie.
Naakt staat ze tegen zijn rug geleund. Ze omarmt zijn borstkas. "Ik wil niet teruggaan." fluistert ze.
Later zal ze schrijven: "Je vertelde me dat je vissen ving zonder net. Als een beer. Toekijken als een schaduw. Dan een grijphand in het water."
Dat had ze gedroomd. Ongedateerd.
Enkel de dromen houdt ze nauwkeurig bij op losse snippers papier in de schuif van haar bureau. Dagen en uren vergeet ze.
Ze leeft niet echt in het leven maar op de rand.
De rand en de afgrond. Of misschien is ze een van die mensen die ontdekte dat er helemaal geen rand is. Wat steeds overblijft als rest is een eindeloos kluwen van schakels waarin afzweren aansluiten betekent.
Ze heeft vrienden. Net als iedereen. Vrienden als slangen, die door relaties kruipen. Die haar vertellen wat ze niet wil horen.
A. merkt pas na de ontmoetigen hoezeer het haar uitput te praten. Een rol te spelen. Jezelf zijn. Jezelf.
A. speelt spelletjes. Die recycleert zij dagelijks in haar geest. Ver weg van alle feiten, op planeetwater diep genoeg om in te verzuipen. Een wonderbaarlijk leven, zegt men. Het meisje en de mythologie.
Naakt staat ze tegen zijn rug geleund. Ze omarmt zijn borstkas. "Ik wil niet teruggaan." fluistert ze.
Later zal ze schrijven: "Je vertelde me dat je vissen ving zonder net. Als een beer. Toekijken als een schaduw. Dan een grijphand in het water."
Dat had ze gedroomd. Ongedateerd.
Enkel de dromen houdt ze nauwkeurig bij op losse snippers papier in de schuif van haar bureau. Dagen en uren vergeet ze.
Ze leeft niet echt in het leven maar op de rand.
De rand en de afgrond. Of misschien is ze een van die mensen die ontdekte dat er helemaal geen rand is. Wat steeds overblijft als rest is een eindeloos kluwen van schakels waarin afzweren aansluiten betekent.
11.5.05
Ik leef in cirkels
"Altijd was er de pagina die alles eindigde en mij terug in mij transformeerde."
Ik leef in cirkels. Cyclus na cyclus.
Het einde is een ander begin.
Vorig jaar bloeide de Clematis niet zo mooi.
Je had minder grijze haren. We plantten en zaaiden.
En kochten de Japanse kerselaar.
Vorig jaar lazen we de pagina die alles eindigt
en het was een nieuw begin.
Ik leef in cirkels. Cyclus na cyclus.
Het einde is een ander begin.
Vorig jaar bloeide de Clematis niet zo mooi.
Je had minder grijze haren. We plantten en zaaiden.
En kochten de Japanse kerselaar.
Vorig jaar lazen we de pagina die alles eindigt
en het was een nieuw begin.
4.4.05
Google woorden
zaad slikte drank
goede stand autozetel
erotisch verhaal mooie lange benen
hoofdpijn
passionele liefde
tepels sigarettenpeuk
schaamhaar
slang in haar kut
bruine en zwarte billen
tweesnijdende zwaarden
witte woede
signaal
onder minirok kijken
koud traag schuim matras
keldertrappen
stilstaande hartjes
onderwater vrouwen bloot
borsten statussymbool
dierlijke emotie
trillende spieren en moe
gebroken schaambeen
goede stand autozetel
erotisch verhaal mooie lange benen
hoofdpijn
passionele liefde
tepels sigarettenpeuk
schaamhaar
slang in haar kut
bruine en zwarte billen
tweesnijdende zwaarden
witte woede
signaal
onder minirok kijken
koud traag schuim matras
keldertrappen
stilstaande hartjes
onderwater vrouwen bloot
borsten statussymbool
dierlijke emotie
trillende spieren en moe
gebroken schaambeen
22.3.05
Vechten of vluchten
Een vervolg op dit
“Dus nam ik een vliegtuig naar elders, op zoek naar het echte verhaal. Een stapel reisgenoten in mijn rugzak, in het geval de illusie een betere keuze zou zijn dan de realiteit. Vanuit die realiteit schrijf ik vandaag.”
Vakantiefoto’s:
#1
De wolken zijn zacht als watten. Onder mij de oceaan. Ik gooi de boeken naar beneden. Minutenlang blijven ze zweven voor ze volledig uit het zicht verdwijnen. Als speldenkoppen. De wind rukt de bladen uit elkaar in strepen en waaiers.
Wild en diep onder mij de oceaan, golven glinsterend in de zon.
#2
Ik sta in een woestijn. Kamelen huilen en er is niets behalve het schurende zand. Kogelhulzen. Oorlog. Mijn gids vreest de koude nacht. Als de temperatuur daalt, krimpen de granaatscherven in zijn schedel in elkaar. Hij kermt wanhopig en kijkt naar de maan.
#3
Liefde als jouw arm die zich ongemerkt rond mijn kussen nestelt. Het is vroeg. Ik mag je niet wakker maken. De grootste opgave: je niet aan te raken. Je warme, zachte huid, je geur, je gespierde schouders, je sleutelbeen. Je borsten, je ronde heupen.
Ik heb je gevonden. Eindelijk. In een land van oorlog en dood. Voortaan zal ik leven met angst. Elke dag, wanneer je de bus opstapt naar huis. Wanneer je uitgaat in de stad. Aan grenscontroles. Overal zal ik je zien. In de krant, op tv. Levenloos langs de weg. Bloedend wegrennend, handen voor je gezicht. Uiteengereten en verbrand.
De realiteit is angst.
“Dus nam ik een vliegtuig naar elders, op zoek naar het echte verhaal. Een stapel reisgenoten in mijn rugzak, in het geval de illusie een betere keuze zou zijn dan de realiteit. Vanuit die realiteit schrijf ik vandaag.”
Vakantiefoto’s:
#1
De wolken zijn zacht als watten. Onder mij de oceaan. Ik gooi de boeken naar beneden. Minutenlang blijven ze zweven voor ze volledig uit het zicht verdwijnen. Als speldenkoppen. De wind rukt de bladen uit elkaar in strepen en waaiers.
Wild en diep onder mij de oceaan, golven glinsterend in de zon.
#2
Ik sta in een woestijn. Kamelen huilen en er is niets behalve het schurende zand. Kogelhulzen. Oorlog. Mijn gids vreest de koude nacht. Als de temperatuur daalt, krimpen de granaatscherven in zijn schedel in elkaar. Hij kermt wanhopig en kijkt naar de maan.
#3
Liefde als jouw arm die zich ongemerkt rond mijn kussen nestelt. Het is vroeg. Ik mag je niet wakker maken. De grootste opgave: je niet aan te raken. Je warme, zachte huid, je geur, je gespierde schouders, je sleutelbeen. Je borsten, je ronde heupen.
Ik heb je gevonden. Eindelijk. In een land van oorlog en dood. Voortaan zal ik leven met angst. Elke dag, wanneer je de bus opstapt naar huis. Wanneer je uitgaat in de stad. Aan grenscontroles. Overal zal ik je zien. In de krant, op tv. Levenloos langs de weg. Bloedend wegrennend, handen voor je gezicht. Uiteengereten en verbrand.
De realiteit is angst.
8.3.05
behoefte
De behoefte aan liefde wordt steeds groter. Hoe meer ze krijgt, hoe groter de behoefte. Ze vraagt zich af wanneer het eindigt, wanneer wordt het te veel?
En erkenning, ze holt ernaar toe als een kind dat de ijskar hoort aankomen.
Hoe graag, hoe veel, hoe belangrijk. Alles wordt minutueus afgewogen.
Elke persoon wordt kapot geanalyseerd, tot er niets meer overblijft dan een beetje meerwaarde voor haarzelf.
Ze moet zich beheersen. Zoals haar moeder zich soms moet beheersen om haar niet voluit op de mond te kussen. Het is een teken van liefde, van toenadering, van algemene overgave, maar het mag niet. Het past niet.
Vroeger was ze gereserveerd. Ze was niet in het reine met haar gevoelens.
Ze had de passie opgesloten, wat er nog restte, diep van binnen na de ravage.
Hij zei haar dat ze koud was. Dat ze haar gevoelens niet kon uiten. En zijn familie, zijn familie was anders. Hij was een man met een hart. Dat was voor hij begon te gokken en alles kwijtspeelde.
Hij had gelijk. Ze had hem niet alles gegeven. Hij wilde het niet. Hij liep weg en bekende dat hij haar vreesde. Haar blik, haar intellect, haar hang naar het betreden van onherbergzaam gebied.
Later, terwijl ze de opgedroogde vallei van scheiding en miserie doorploeterde, kwamen de vrouwen. Sterke vrouwen met in hun kus de liefde van moeder en hoer, van vriendin en geliefde.
Wat ze nauwelijks kon geloven was de zachtheid. Ze voelde wat ze was en wat ze wilde. Er was een opening. Ze wilde doorgaan tot ze lichaam en geest kende. Tot in elk klein detail. Ze wilde vrouwenogen vangen. Ze wilde zoveel liefde, die oude, allesverwoestende liefde van begin en einde. Van niets en altijd en willen sterven als ze je verlaat.
Elke dag opnieuw is een gevecht. Ze wil dat iedereen naar haar kijkt, terwijl ze duikt in de diepte, ruggengraat in brand, koortsige huid. Ze wil ze allemaal pakken tussen hun benen, tot ze heet zijn en verlangen.
Pas dan wordt ze rustig, als zij haar verlangen delen.
En erkenning, ze holt ernaar toe als een kind dat de ijskar hoort aankomen.
Hoe graag, hoe veel, hoe belangrijk. Alles wordt minutueus afgewogen.
Elke persoon wordt kapot geanalyseerd, tot er niets meer overblijft dan een beetje meerwaarde voor haarzelf.
Ze moet zich beheersen. Zoals haar moeder zich soms moet beheersen om haar niet voluit op de mond te kussen. Het is een teken van liefde, van toenadering, van algemene overgave, maar het mag niet. Het past niet.
Vroeger was ze gereserveerd. Ze was niet in het reine met haar gevoelens.
Ze had de passie opgesloten, wat er nog restte, diep van binnen na de ravage.
Hij zei haar dat ze koud was. Dat ze haar gevoelens niet kon uiten. En zijn familie, zijn familie was anders. Hij was een man met een hart. Dat was voor hij begon te gokken en alles kwijtspeelde.
Hij had gelijk. Ze had hem niet alles gegeven. Hij wilde het niet. Hij liep weg en bekende dat hij haar vreesde. Haar blik, haar intellect, haar hang naar het betreden van onherbergzaam gebied.
Later, terwijl ze de opgedroogde vallei van scheiding en miserie doorploeterde, kwamen de vrouwen. Sterke vrouwen met in hun kus de liefde van moeder en hoer, van vriendin en geliefde.
Wat ze nauwelijks kon geloven was de zachtheid. Ze voelde wat ze was en wat ze wilde. Er was een opening. Ze wilde doorgaan tot ze lichaam en geest kende. Tot in elk klein detail. Ze wilde vrouwenogen vangen. Ze wilde zoveel liefde, die oude, allesverwoestende liefde van begin en einde. Van niets en altijd en willen sterven als ze je verlaat.
Elke dag opnieuw is een gevecht. Ze wil dat iedereen naar haar kijkt, terwijl ze duikt in de diepte, ruggengraat in brand, koortsige huid. Ze wil ze allemaal pakken tussen hun benen, tot ze heet zijn en verlangen.
Pas dan wordt ze rustig, als zij haar verlangen delen.
7.3.05
witte woede
Het medische team vloeit voort
als een gebroken rood motiefje
Iedere ochtend
leeg neervallen
een kleine lichaamsoperatie
zwetend
de dag voor de witte lichten
de therapeuten van het verleden
maken tongen los
Een bodemloos vat
mensen blijven graven
deuren
openen en sluiten
als een gebroken rood motiefje
Iedere ochtend
leeg neervallen
een kleine lichaamsoperatie
zwetend
de dag voor de witte lichten
de therapeuten van het verleden
maken tongen los
Een bodemloos vat
mensen blijven graven
deuren
openen en sluiten
1.3.05
Sint Rita
Toen ze mij kwamen ophalen regende het. De hele dag al te veel water dat als trage bloedstromen naar beneden rolt.
Als het regent in Sint Rita wordt het gebouw een drijvend vlot. Overal loopt water door buizen, goten, riolen, keldertrappen, in ondergrondse nissen. De ratten worden meegespoeld. Het water raast en kolkt in alle holten. De muren worden mossig. Er gapen barsten en gaten. Opgekrulde varens rollen zich snokkend uit. Een eeuwige kilte bedekt de vloertegels met een dun laagje mist.
Doordraven doordraven tot je niet meer weet wie je bent.
De gevangenen, gecolloceerden, halve garens zitten roerloos ineengekrompen in hun vochtige cellen en wachten tot het onweer voorbij is. Hoe langer het duurt, hoe meer goede voornemens wegkwijnen en hoe meer de rillende gestalten vervreemd raken van de buitenwereld. De storm trekt alle hoop met zich mee door klappende deuren.
Als het regent in Sint Rita wordt het gebouw een drijvend vlot. Overal loopt water door buizen, goten, riolen, keldertrappen, in ondergrondse nissen. De ratten worden meegespoeld. Het water raast en kolkt in alle holten. De muren worden mossig. Er gapen barsten en gaten. Opgekrulde varens rollen zich snokkend uit. Een eeuwige kilte bedekt de vloertegels met een dun laagje mist.
Doordraven doordraven tot je niet meer weet wie je bent.
De gevangenen, gecolloceerden, halve garens zitten roerloos ineengekrompen in hun vochtige cellen en wachten tot het onweer voorbij is. Hoe langer het duurt, hoe meer goede voornemens wegkwijnen en hoe meer de rillende gestalten vervreemd raken van de buitenwereld. De storm trekt alle hoop met zich mee door klappende deuren.
21.2.05
Zweet
Gisterennacht was ze laat thuisgekomen. Ze was gaan dansen in de club aan de oever van de rivier. Toen ze door de voortuin liep merkte ze dat de rode dahlia’s ontbraken. Er waren vijf putten in de aarde.
's Middags vond ze haar moeder in het tuintje. “De Dieven! Godverdomme, die smerige straatjong. Niets is hier veilig. Alles komen ze halen om te verkopen."
In deze tijd van het jaar krioelden alle bloemen in de tuin van de bladluizen.
Maar bladluizen waren te klein voor haar moeder. Met -2 links en -3 rechts was de vlieg het kleinste insect dat ze kon onderscheiden.
Ooit was er een man gekomen om de bladluizen te verdelgen. Door de plantsoendienst verplicht. Het was een lachende Zweed die beweerde dat hij de hele tuin insectvrij zou kunnen maken met behulp van elektrische spanningsvelden.
Ze had hem de hele dag geobserveerd, in de weer met plus-en-min polen.
Een hele dag keek ze naar handen, ruggengraat, schouders, armen met een verlammend gevoel van zalige warmte.
Elektriciteit is eerlijk. De elektrische schok zo eerlijk en direct dat je schrikt maar er is geen pijn, enkel leegte.
En zo was hij klaargekomen. Ze had hem in haar mond genomen. Hij had verkrampt haar haren vastgegrepen en haar hoofd op en neer bewogen.
Het zaad liep uit haar mond. Hij had zelfs een beetje in haar neus gespoten, maar dat durfde ze niet te zeggen en ze liep de hele avond te pulken aan een harde korst sperma waar haar neushaartjes ingedroogd waren.
's Middags vond ze haar moeder in het tuintje. “De Dieven! Godverdomme, die smerige straatjong. Niets is hier veilig. Alles komen ze halen om te verkopen."
In deze tijd van het jaar krioelden alle bloemen in de tuin van de bladluizen.
Maar bladluizen waren te klein voor haar moeder. Met -2 links en -3 rechts was de vlieg het kleinste insect dat ze kon onderscheiden.
Ooit was er een man gekomen om de bladluizen te verdelgen. Door de plantsoendienst verplicht. Het was een lachende Zweed die beweerde dat hij de hele tuin insectvrij zou kunnen maken met behulp van elektrische spanningsvelden.
Ze had hem de hele dag geobserveerd, in de weer met plus-en-min polen.
Een hele dag keek ze naar handen, ruggengraat, schouders, armen met een verlammend gevoel van zalige warmte.
Elektriciteit is eerlijk. De elektrische schok zo eerlijk en direct dat je schrikt maar er is geen pijn, enkel leegte.
En zo was hij klaargekomen. Ze had hem in haar mond genomen. Hij had verkrampt haar haren vastgegrepen en haar hoofd op en neer bewogen.
Het zaad liep uit haar mond. Hij had zelfs een beetje in haar neus gespoten, maar dat durfde ze niet te zeggen en ze liep de hele avond te pulken aan een harde korst sperma waar haar neushaartjes ingedroogd waren.
20.2.05
Crash
Ze houdt van leven op de grens van het gevaar, risico's. Ze is de ideale Bond-girl. Onweerstaanbaar. Erotisch. (aanzwellende muziek)
Ze gooit haar witte jas in de auto, vouwt haar lange benen onder het stuur en start de motor. Even onthult de jeans met lage taille het bruine vel dat rond haar heupbeen trekt.
Ze rijdt naar huis, waar eten klaar staat en wijn. Daar zal ze een bad laten vollopen en haar vriendin verleiden, die zo goed kookt en kronkelt als een slang.
Ze voelt de stof van haar jeans trekken in haar kruis en schuift heen en weer in de autozetel. Ongetemd en geil. En zot van liefde. Zo zot dat het opeens pijn doet.
Alsof duizenden tatoeagenaalden op hetzelfde moment in haar lijf dringen tot op het bot en daar in dikke rode inkt hartjes prikken. Ze schreeuwt het uit en voelt haar lichaam verslappen. Door de tranen heen ziet ze de straatlantaarns blinken, vervormd en streperig. Het duurt maar een paar seconden. Ze hapt nog twee keer naar adem en knalt dan met een snelheid van 170 km/uur tegen een stilstaande vrachtwagen op. Haar haar wappert als dat van een wild dier.
Ze gooit haar witte jas in de auto, vouwt haar lange benen onder het stuur en start de motor. Even onthult de jeans met lage taille het bruine vel dat rond haar heupbeen trekt.
Ze rijdt naar huis, waar eten klaar staat en wijn. Daar zal ze een bad laten vollopen en haar vriendin verleiden, die zo goed kookt en kronkelt als een slang.
Ze voelt de stof van haar jeans trekken in haar kruis en schuift heen en weer in de autozetel. Ongetemd en geil. En zot van liefde. Zo zot dat het opeens pijn doet.
Alsof duizenden tatoeagenaalden op hetzelfde moment in haar lijf dringen tot op het bot en daar in dikke rode inkt hartjes prikken. Ze schreeuwt het uit en voelt haar lichaam verslappen. Door de tranen heen ziet ze de straatlantaarns blinken, vervormd en streperig. Het duurt maar een paar seconden. Ze hapt nog twee keer naar adem en knalt dan met een snelheid van 170 km/uur tegen een stilstaande vrachtwagen op. Haar haar wappert als dat van een wild dier.
8.2.05
Emma
Hij brak los om 4 uur ’s nachts. Pikdonker. De maan was verstopt achter een dik pak wolken.
Nekhaar overeind en tanden bloot. Binnen, aan tafel lachten de mensen onwetend.
Ze vertelde over een liefdesgeschiedenis. Toen ze 20 was bedreef ze voor het eerst de liefde met een meisje. Verward, smoorverliefd. De grote liefde, blind en koppig.
Hij loopt recht op zijn prooi af, vindt zijn weg zonder aarzelen. Het dier uit doodskreten en probeerde nog te ontsnappen. Het fladdert zielig tot tegen de afsluiting.
Snel, licht. De mensen komen kijken en vinden veren overal op de grond en vel en een stuk vlees.
Het dier leeft. Het kruipt weg uit de straal van de zaklamp. Het ziet er verschrikkelijk uit.
De mensen roepen, proberen het dier op te jagen.
"We moeten het doden." zeggen ze. "Het is te zwaar gewond.Het lijdt."
"Nee, laten we de wonden verzorgen."
De mensen lopen, struikelen. Ze hebben veel gedronken. Wijn rood als bloed.
Doden met een schop?
We zullen zien morgen. De tanden hebben te diepe wonden gemaakt. Morgen doden en opeten.
"Het is te donker. Niet dronken doden. Ik kan het niet."
Terug binnen rillen de mensen. Koud. Handenwrijvend. Meer wijn.
Het was een studentenliefde, vertelt ze verder. Ze is weggegaan, terug naar haar dorp, ouderlijk huis. Getrouwd, kinderen gekregen. Het was een schok toen ze weg ging. De klok bleef 10 jaar stilstaan.
Al die lange jaren avontuurtjes met mannen, maar geen vrouw. Geen hart.
Na 10 jaar kwam de klap. Ze brak uit en het verdriet was een kracht. Vrouw na vrouw viel voor de staalblauwe ogen die glinsterden in het maanlicht. Ze jaagde nacht na nacht vol schaduwen op slaapkamermuren, zich vastbijtend in lakens en getatoeëerde schouders. Gehoorzaam aan een herinnering, een oud instinct. Het was nooit genoeg.
Het dier kan zich niet verweren wanneer de anderen het benaderen. De wonde bloedt niet, maar ze hebben honger. Ze pikken. Pikken wat los zit aan vlees en vel. Pikken het los. Verder en verder. Ze trekken vel en veren weg en eten. Kannibalen.
Terwijl het huis slaapt, brandt de wonde. Steeds groter en dieper en de mensen weten het niet.
Er is een tijd voor zachtheid. Pas jaren later, in de donkere ogen van een zuiderse vrouw, zag ze die liefde. Die liefde die zegt: "Ik zou liever doodgaan dan niet meer bij je zijn. Ik zorg voor jou. Altijd." In haar armen.
Het offer is de weg die afgelegd is.
We hadden het beest moeten doden in de donkere nacht met een schop en de moed van de dronkenschap. En dan vergeten. Het is nu licht en de zon priemt.
Kliefbijl. De wonde ettert.
"Niet opeten." zeggen de mensen.
3 slagen. De bijl is te bot. Snel, neem de schop.
Geschokt. De mensen kijken met open mond naar het stuiptrekkende dier.
De tijd tikt. Na die nacht zijn de mensen familie.
Niet door bloed, maar door hart.
Diep binnenin op de plek van de dood en geboorte en trouw.
En de liefde brandt als een wonde die niet heelt.
Nekhaar overeind en tanden bloot. Binnen, aan tafel lachten de mensen onwetend.
Ze vertelde over een liefdesgeschiedenis. Toen ze 20 was bedreef ze voor het eerst de liefde met een meisje. Verward, smoorverliefd. De grote liefde, blind en koppig.
Hij loopt recht op zijn prooi af, vindt zijn weg zonder aarzelen. Het dier uit doodskreten en probeerde nog te ontsnappen. Het fladdert zielig tot tegen de afsluiting.
Snel, licht. De mensen komen kijken en vinden veren overal op de grond en vel en een stuk vlees.
Het dier leeft. Het kruipt weg uit de straal van de zaklamp. Het ziet er verschrikkelijk uit.
De mensen roepen, proberen het dier op te jagen.
"We moeten het doden." zeggen ze. "Het is te zwaar gewond.Het lijdt."
"Nee, laten we de wonden verzorgen."
De mensen lopen, struikelen. Ze hebben veel gedronken. Wijn rood als bloed.
Doden met een schop?
We zullen zien morgen. De tanden hebben te diepe wonden gemaakt. Morgen doden en opeten.
"Het is te donker. Niet dronken doden. Ik kan het niet."
Terug binnen rillen de mensen. Koud. Handenwrijvend. Meer wijn.
Het was een studentenliefde, vertelt ze verder. Ze is weggegaan, terug naar haar dorp, ouderlijk huis. Getrouwd, kinderen gekregen. Het was een schok toen ze weg ging. De klok bleef 10 jaar stilstaan.
Al die lange jaren avontuurtjes met mannen, maar geen vrouw. Geen hart.
Na 10 jaar kwam de klap. Ze brak uit en het verdriet was een kracht. Vrouw na vrouw viel voor de staalblauwe ogen die glinsterden in het maanlicht. Ze jaagde nacht na nacht vol schaduwen op slaapkamermuren, zich vastbijtend in lakens en getatoeëerde schouders. Gehoorzaam aan een herinnering, een oud instinct. Het was nooit genoeg.
Het dier kan zich niet verweren wanneer de anderen het benaderen. De wonde bloedt niet, maar ze hebben honger. Ze pikken. Pikken wat los zit aan vlees en vel. Pikken het los. Verder en verder. Ze trekken vel en veren weg en eten. Kannibalen.
Terwijl het huis slaapt, brandt de wonde. Steeds groter en dieper en de mensen weten het niet.
Er is een tijd voor zachtheid. Pas jaren later, in de donkere ogen van een zuiderse vrouw, zag ze die liefde. Die liefde die zegt: "Ik zou liever doodgaan dan niet meer bij je zijn. Ik zorg voor jou. Altijd." In haar armen.
Het offer is de weg die afgelegd is.
We hadden het beest moeten doden in de donkere nacht met een schop en de moed van de dronkenschap. En dan vergeten. Het is nu licht en de zon priemt.
Kliefbijl. De wonde ettert.
"Niet opeten." zeggen de mensen.
3 slagen. De bijl is te bot. Snel, neem de schop.
Geschokt. De mensen kijken met open mond naar het stuiptrekkende dier.
De tijd tikt. Na die nacht zijn de mensen familie.
Niet door bloed, maar door hart.
Diep binnenin op de plek van de dood en geboorte en trouw.
En de liefde brandt als een wonde die niet heelt.
1.2.05
28.1.05
Lippenstift
Lippenstift. Ik draag nooit lippenstift. Vergeet jarenlang dat zoiets bestaat. Bij andere vrouwen ja. In handtassen en op tafels in badkamers. Hij vraagt of ik ook lippenstift wil gebruiken.
Ik sluip binnen in een drogisterij in de winkelstraat. De make-up rekken liggen er slordig bij. Door elkaar gehaald, uitgetest en teruggelegd. Ik wring me tussen de draaimolentjes met diadeems door en bekijk half tegen de muur gedrukt de kleuren in het lippenstift rek van Max Factor. Glitter gloss, beschermt tegen uitdrogen.
Kleine make-up artikelen maken me ongemakkelijk. Iedereen kijkt, al was het maar om zeker te zijn dat ik niets pik. Plots zijn er overal winkeldetectives die ter plekke blijven drentelen rond onbelangrijke artikelen. Ik moet me bedwingen om iets in m’n hand te houden. Knal rood, Nivea. Weg hier.
Ik sluip binnen in een drogisterij in de winkelstraat. De make-up rekken liggen er slordig bij. Door elkaar gehaald, uitgetest en teruggelegd. Ik wring me tussen de draaimolentjes met diadeems door en bekijk half tegen de muur gedrukt de kleuren in het lippenstift rek van Max Factor. Glitter gloss, beschermt tegen uitdrogen.
Kleine make-up artikelen maken me ongemakkelijk. Iedereen kijkt, al was het maar om zeker te zijn dat ik niets pik. Plots zijn er overal winkeldetectives die ter plekke blijven drentelen rond onbelangrijke artikelen. Ik moet me bedwingen om iets in m’n hand te houden. Knal rood, Nivea. Weg hier.
27.1.05
lijstje
Zij stapte buiten en voelde nog even aarzelend of ze de sleutel wel bij zich had.
In haar zak voelde ze het lijstje.
Het lijstje angst
- angst om het leven op te vullen
- angst voor pijn
- angst voor de dood (verlammend) en ook angst om te bestaan en niets te betekenen
- angst om te falen
- angst om anderen te ontgoochelen (sterk)
- angst voor het niets
- angst om niet geaccepteerd te worden
- angst om saai te zijn
In haar zak voelde ze het lijstje.
Het lijstje angst
- angst om het leven op te vullen
- angst voor pijn
- angst voor de dood (verlammend) en ook angst om te bestaan en niets te betekenen
- angst om te falen
- angst om anderen te ontgoochelen (sterk)
- angst voor het niets
- angst om niet geaccepteerd te worden
- angst om saai te zijn
26.1.05
Signaal
Meisjes in topjes schminken hun ogen weg met lange horizontale lijnen. Spiegels waarin je leest 'geen contact'. Plat signaal boven witte t-shirts en afgebleekte jeans.
Zij die durven zuigen de prachtige nacht naar binnen alsof ze zwarte gaten zijn. En niemand haalt het in zijn hoofd iets terug te geven voor dit mirakel. Het uitschreeuwen kan alleen in groep, ogen gericht op een schouder of een oor. Een beetje oncomfortabel, maar risicoloos en ongevaarlijk.
Temidden van deze heksenketel en aanstellerij. Van mensen die zich niet meer herinneren wat het is dat ze zoeken, wil ik met jou praten. Zinnen die diep in het vlees snijden en die je hart verscheuren. En zalvende woorden die zacht binnendrijven tot tegen de achterkant van je schedel. Ik neem mij voor mijn angst achterwege te laten.
Zij die durven zuigen de prachtige nacht naar binnen alsof ze zwarte gaten zijn. En niemand haalt het in zijn hoofd iets terug te geven voor dit mirakel. Het uitschreeuwen kan alleen in groep, ogen gericht op een schouder of een oor. Een beetje oncomfortabel, maar risicoloos en ongevaarlijk.
Temidden van deze heksenketel en aanstellerij. Van mensen die zich niet meer herinneren wat het is dat ze zoeken, wil ik met jou praten. Zinnen die diep in het vlees snijden en die je hart verscheuren. En zalvende woorden die zacht binnendrijven tot tegen de achterkant van je schedel. Ik neem mij voor mijn angst achterwege te laten.
25.1.05
Google woorden
wraak nemen
matras traag rubber
haar mooie tenen
halsspieren ontspannen
wat zijn computerconfiguraties
binnenkant dijbeen
van velde bloedend achterhoofd
beweeg je lijf
mooie heupen
breek mijn pols
onderwater klaarkomen
warmte krimp geheugen
dijen homo
verhaal hond spiegelpaleis
dijen spreiden
je stinkt
matras traag rubber
haar mooie tenen
halsspieren ontspannen
wat zijn computerconfiguraties
binnenkant dijbeen
van velde bloedend achterhoofd
beweeg je lijf
mooie heupen
breek mijn pols
onderwater klaarkomen
warmte krimp geheugen
dijen homo
verhaal hond spiegelpaleis
dijen spreiden
je stinkt
24.1.05
Trein: Wagon 1
De wagon is vuil. Plakkerige handpalmen. Priemende blikken overal. "Als ik jou hard raak, staar je minder terug", denken de stenen gezichten. Tanden knarsen als de trein vertrekt. Schokkerig. Ruggen deinen mee als haaievinnen. Het wordt avond, maar wij zijn onderweg. Altijd onderweg.
De overbuurman zit in de duisternis in zijn coupé. Hij koestert andermans woorden alsof het de zijne zijn. Alsof hij de aanzet en het middelpunt geweest is van alle menselijke uitingen rondom hem. Met zijn ideeën, zijn tolerantie, zijn verstikkende jaloezie en geobsedeerde boertigheid. Als een gigantisch amfibie zit hij te daar te wachten op zijn vuilnisbelt. Af en toe produceert hij vreemde geluiden en maakt aantekeningen. Niemand weet waarom.
Waarop wachten de mensen in deze wagon? Beterschap? Evenwicht? De kracht om op te staan en te veranderen? Ik denk dat dit een eindpunt is waar de trein stopt. Iedereen blijft zitten maar er komt geen halte meer. Wat je kan doen is moeizaam terugkruipen door de tunnels tot je bij een wissel komt. En zorg godverdomme dat de anderen je niet volgen, aan je slippen hangen. Laat ze achter.
Vluchten dan. Naar een ander land. Weg van de dagelijkse stroom mensen. Elke dag opnieuw. Mensen die je vrienden noemt. Je vraagt je af wat ze voor je betekenen. Uiteindelijk kom je tot de conclusie dat je iedereen die je kent gemakkelijk kan missen en vertrek je, ver weg.
Je nodigt mensen uit om je te komen opzoeken, maar niemand komt. Er is eenzaamheid, maar die is draaglijker dan je vroegere achterhaalde sociale leven. Je weet dat je ooit zal moeten terugkeren.
Mensen zijn hard, keihard. We proberen onze hardheid allemaal wat te verstoppen onder een laagje gevoeligheid, compassie en angst. Eigenlijk vellen we elke dag wrede oordelen. Want wie wil nu zijn leven geven voor een ander?
De overbuurman zit in de duisternis in zijn coupé. Hij koestert andermans woorden alsof het de zijne zijn. Alsof hij de aanzet en het middelpunt geweest is van alle menselijke uitingen rondom hem. Met zijn ideeën, zijn tolerantie, zijn verstikkende jaloezie en geobsedeerde boertigheid. Als een gigantisch amfibie zit hij te daar te wachten op zijn vuilnisbelt. Af en toe produceert hij vreemde geluiden en maakt aantekeningen. Niemand weet waarom.
Waarop wachten de mensen in deze wagon? Beterschap? Evenwicht? De kracht om op te staan en te veranderen? Ik denk dat dit een eindpunt is waar de trein stopt. Iedereen blijft zitten maar er komt geen halte meer. Wat je kan doen is moeizaam terugkruipen door de tunnels tot je bij een wissel komt. En zorg godverdomme dat de anderen je niet volgen, aan je slippen hangen. Laat ze achter.
Vluchten dan. Naar een ander land. Weg van de dagelijkse stroom mensen. Elke dag opnieuw. Mensen die je vrienden noemt. Je vraagt je af wat ze voor je betekenen. Uiteindelijk kom je tot de conclusie dat je iedereen die je kent gemakkelijk kan missen en vertrek je, ver weg.
Je nodigt mensen uit om je te komen opzoeken, maar niemand komt. Er is eenzaamheid, maar die is draaglijker dan je vroegere achterhaalde sociale leven. Je weet dat je ooit zal moeten terugkeren.
Mensen zijn hard, keihard. We proberen onze hardheid allemaal wat te verstoppen onder een laagje gevoeligheid, compassie en angst. Eigenlijk vellen we elke dag wrede oordelen. Want wie wil nu zijn leven geven voor een ander?
22.1.05
Poort
Ik ben weer met mijn dwaze kop tegen de muur gelopen. Op een moment van betovering denk je dat alles mogelijk is. Er is vuurwerk, zwaar vuurwerk en een kans om je geest te openen.
Er is angst. Geen angst voor oude valstrikken, maar een huiveringwekkende schrik voor het achterlaten van grenzen.
Je denkt dat je op de juiste weg bent. Af en toe slaat een vlaag van verbijstering je van de baan. Stemmen vervormen en woorden bedreigen je, maar je geeft niet op.
Voor je zie je een uitdaging, die je hoofd helemaal binnenste buiten keert. En belangrijker: een gevoel van contact, een sterk signaal dat recht door je vitale organen gaat.
Zij zegt dat ze zich amper iets herinnert, dat ze dronken was. Ze poeiert de verantwoordelijkheid voor enige emotionele schade snel van zich af. Als ik haar vertel wat ze tegen me zei lacht ze ongelovig. Ik voel een dikke muur tussen haar en ik.
Ik dacht aan een nieuwe dimensie, het neerlaten van alle verdediging. Een nieuwe manier om te praten, scherp direct zonder belemmeringen schaamte.
Zij denkt dat ik geïnteresseerd ben in seks. Terwijl seks juist alles moeilijker maakt, afremt, opsluit.
Misschien was het ook niet meer.
Wat ik zie bestaat niet.
Alsof er een poort naar een andere wereld openstond toen.
Er is angst. Geen angst voor oude valstrikken, maar een huiveringwekkende schrik voor het achterlaten van grenzen.
Je denkt dat je op de juiste weg bent. Af en toe slaat een vlaag van verbijstering je van de baan. Stemmen vervormen en woorden bedreigen je, maar je geeft niet op.
Voor je zie je een uitdaging, die je hoofd helemaal binnenste buiten keert. En belangrijker: een gevoel van contact, een sterk signaal dat recht door je vitale organen gaat.
Zij zegt dat ze zich amper iets herinnert, dat ze dronken was. Ze poeiert de verantwoordelijkheid voor enige emotionele schade snel van zich af. Als ik haar vertel wat ze tegen me zei lacht ze ongelovig. Ik voel een dikke muur tussen haar en ik.
Ik dacht aan een nieuwe dimensie, het neerlaten van alle verdediging. Een nieuwe manier om te praten, scherp direct zonder belemmeringen schaamte.
Zij denkt dat ik geïnteresseerd ben in seks. Terwijl seks juist alles moeilijker maakt, afremt, opsluit.
Misschien was het ook niet meer.
Wat ik zie bestaat niet.
Alsof er een poort naar een andere wereld openstond toen.
21.1.05
Cirque
De duisternis valt en er worden vuurtjes gemaakt in metalen tonnen. We drinken teveel omdat we dat willen. Alles verbrokkelt onder mijn woorden. Zij laat mij rondwandelen in haar geest.
Ik drink halve glazen wijn leeg probeer het vuur te doven. Ik zwalp overal heen, lachend losgebroken. Ik ben mezelf ik ben iedereen tegelijk half blind door drank voor mij uit lallend tegen mensen die ik tegenkom.
Mijn huid brandt. Ik loop rond de circustent, strompelend, me vastgrijpend aan dikke strakgespannen touwen. Ik roep hard tegen de gezichten: ”Waarom?” Iemand grijpt m’n schouder vast en trekt me achteruit. Ik schreeuw tegen haar en ze kijkt verschrikt maar niet echt geraakt. Van ver weg zegt ze: “Je zoekt nog, maar er is geen antwoord. Sommige dingen kan je niet verklaren." Ik haat haar. Harde ogen. Ik haat iedereen met zo'n geweldige overtuiging dat de grond zou moeten opensplijten.
Ik denk dat ik op avontuur uit ben. Glorieus, roekeloos, maar ik ben de enige die de situatie niet onder controle heeft. Zo is het en zo is het altijd geweest. Ik verzwijg wat ik wel zou moeten zeggen.
Een uur later ben ik zo moe en uitgeput dat mijn gesmolten gedachten mijn tong af rollen als siroop. Ik leeg mijn hoofd in haar schoot. Ik vertel haar alles, fluisterend zonder woorden. Ik verklaar haar mijn liefde.
Ik hoop dat ze te dronken is om iets te onthouden.
Ik word wakker, mijn hoofd een steen. Alles is voorbij. De betovering is weg en ik denk wat heb ik me weer laten beetnemen. De zwakste, een blinde schakel.
Ik bezwijk onder elk gewicht. Ik kan niet dragen. Mijn ruggengraat een spons die wortelt in mijn bekken en uitzet in mijn hoofd. Leeghoofd vol obsessies en kortsluitingen. Ik denk dat ik iets kan verbergen maar mijn vel is transparant, mijn schedel is verteerd door slechte gedachten. Niet getreurd, de mensen houden van vermaak. Een clown in hun midden.
II
Later. Ooit. Meer. Ze heeft een kant die ze bijna altijd verstopt. Die zich tegen mij aandrukt in de gang ’s nachts, als ik afscheid wil nemen. De kant die zegt wat ik wil horen.
Dan zucht ze en houdt ze mij in haar armen.
Dat is het. Verdriet.
III
We lachen in de zetel. Ze schuift dichter zodat ik haar voel en we lachen meer. Om de dwaze zatte nachten waarvan we ons de helft niet herinneren. Altijd dat altijd gemis.
Er was een avond in het donker met vuur in de weien en onze tent klein naast de grote circustent waar een orkest bleef doorspelen tot ’s morgens.
Ik drink halve glazen wijn leeg probeer het vuur te doven. Ik zwalp overal heen, lachend losgebroken. Ik ben mezelf ik ben iedereen tegelijk half blind door drank voor mij uit lallend tegen mensen die ik tegenkom.
Mijn huid brandt. Ik loop rond de circustent, strompelend, me vastgrijpend aan dikke strakgespannen touwen. Ik roep hard tegen de gezichten: ”Waarom?” Iemand grijpt m’n schouder vast en trekt me achteruit. Ik schreeuw tegen haar en ze kijkt verschrikt maar niet echt geraakt. Van ver weg zegt ze: “Je zoekt nog, maar er is geen antwoord. Sommige dingen kan je niet verklaren." Ik haat haar. Harde ogen. Ik haat iedereen met zo'n geweldige overtuiging dat de grond zou moeten opensplijten.
Ik denk dat ik op avontuur uit ben. Glorieus, roekeloos, maar ik ben de enige die de situatie niet onder controle heeft. Zo is het en zo is het altijd geweest. Ik verzwijg wat ik wel zou moeten zeggen.
Een uur later ben ik zo moe en uitgeput dat mijn gesmolten gedachten mijn tong af rollen als siroop. Ik leeg mijn hoofd in haar schoot. Ik vertel haar alles, fluisterend zonder woorden. Ik verklaar haar mijn liefde.
Ik hoop dat ze te dronken is om iets te onthouden.
Ik word wakker, mijn hoofd een steen. Alles is voorbij. De betovering is weg en ik denk wat heb ik me weer laten beetnemen. De zwakste, een blinde schakel.
Ik bezwijk onder elk gewicht. Ik kan niet dragen. Mijn ruggengraat een spons die wortelt in mijn bekken en uitzet in mijn hoofd. Leeghoofd vol obsessies en kortsluitingen. Ik denk dat ik iets kan verbergen maar mijn vel is transparant, mijn schedel is verteerd door slechte gedachten. Niet getreurd, de mensen houden van vermaak. Een clown in hun midden.
II
Later. Ooit. Meer. Ze heeft een kant die ze bijna altijd verstopt. Die zich tegen mij aandrukt in de gang ’s nachts, als ik afscheid wil nemen. De kant die zegt wat ik wil horen.
Dan zucht ze en houdt ze mij in haar armen.
Dat is het. Verdriet.
III
We lachen in de zetel. Ze schuift dichter zodat ik haar voel en we lachen meer. Om de dwaze zatte nachten waarvan we ons de helft niet herinneren. Altijd dat altijd gemis.
Er was een avond in het donker met vuur in de weien en onze tent klein naast de grote circustent waar een orkest bleef doorspelen tot ’s morgens.
12.1.05
Ik/jij
Op haar eenentwintigste verjaardag kreeg ze van haar moeder een briefje met het adres van een psychiater. De schriftelijke toelating om de rotzooi in haar hoofd en lichaam op te kuisen. Het liefst zo vlug mogelijk en op eigen verantwoordelijkheid.
Ze zit nu in het buitenland, om alles uit te praten. Ze zit alleen te wachten in een hotelkamer op de man die haar verkracht heeft. Iedereen verklaart haar gek, maar het is het moedigste wat ze ooit gedaan heeft.
# Ik:
We staan te wachten achter de bar. De muziek drilt verder en verder weg.
Ze vraagt: "Heb je een vuurtje?"
"Kus me." antwoord ik, verdoofd en eenzaam. Omdat ze nooit zegt wat ze zeggen wil, omdat ik vreselijke dingen hoor van haar vroegere mannen, die ze mij altijd verzwijgt. Iedereen die haar kent zou wel met haar willen vrijen, maar ze doet alsof dat haar kouwe kleren niet raakt. Ze buigt zich naar me toe tot haar lippen op een paar millimeter na de mijne raken en wringt een pakje lucifers uit mijn rechterhand.
Bitch.
Ik volg haar ogen die nerveus opzij schieten. Aan de bar schuifelt hij heen en weer.en ik denk:
Hij wordt kaal. Zo kaal als een hoorn. Ik zie zijn rug, gebogen in het licht. Hij gaat waar zij gaat. Als een kromme donkere schaduw volgt hij haar en snijdt de woorden af. Soms rotzooit hij tussen haar benen en op die dagen zijn haar ogen troebel en naar de grond gericht. Er waren twee zussen, uit één ei. Met de onverbiddelijke hardheid van een predikant velde hij een oordeel. Tussen goed en kwaad. Hij koos de kleinste, de zwakste.
Ik zie het allemaal nu en ze weet het. Ze draait zich van me weg en zegt niets meer. Bedient de klanten, zet een whisky voor zijn neus.
"Ik zie hem staan" zeg ik. Ze kijkt me niet aan. "Elke dag wordt hij lelijker en doet hij je meer pijn. Maar toch trek je hem achter je aan als een hond aan een leiband." Ze huilt. Ik probeer haar te troosten maar ze rukt zich los en ik word kwaad, machteloos. "Wat zou je hem willen vragen? Waarom jij? Zal ik het hem vragen? Zal ik hem opensnijden met een vleesmes? Zal ik hem geven wat hij verdient? En je moeder de medeplichtige huilend bij zijn graf één duwtje en ze ligt erbij, onder de zoden." Ze zakt langzaam op de grond en duwt haar vuisten in haar oren. Ze is ontroostbaar en elke liefdesverklaring aan haar adres is een zweepslag. Haar huid is oud van te weinig kindertijd. Borsten klein als van een 13-jarige. Ik smeek "laat het me proberen. Ik geef je alles wat ik heb ik bescherm je hou hem van je weg ik zal de pijn dragen alle pijn."
Ze kijkt me aan. Ogen blauw en helder halsspieren trekken nerveus. Bijna waanzin.
Een gevoel van misselijkheid komt in me op en barstende hoofdpijn.
"Ok" zegt ze "Als je me bedriegt maak ik je kapot." Ze mikt haar sigarettenpeuk in het whiskyglas.
# Jij:
Ik kijk haar aan. Denkt ze dat ze tegen hem op kan?
Ze weet niet wat haar te wachten staat. Ze zal lijden. Vroege morgen als we de bar verlaten. Hij loopt achter ons aan, maar zij doet alsof hij er niet is. Zelfverzekerd. Ze denkt dat ze de eerste nobele ridder is die mij probeert te schaken.
Als we binnen zijn en de deur achter ons gesloten is, grijpt hij haar vast bij haar nekharen en sleurt haar naar de slaapkamer. Ik volg hem aarzelend. Hij trekt ruw haar kleren uit. Dan haalt hij een touw tevoorschijn, waarmee hij haar polsen vastsjort. Het touw maakt hij vast aan een haak in het plafond, zodat ze verplicht wordt op haar knieën op het bed te blijven zitten. Hij houdt haar vast bij haar dijen zodat ze enkel haar hoofd wat kan bewegen. Ik kleed me traag uit en voel haar blik op me branden. Ze kijkt me aan alsof ik haar ga doden. Ik glimlach, ga voor haar zitten en streel haar zachte borsten en heupen. Ik hoor hem achter me hijgen als ik haar kus. Ik vinger haar er ze kan haar heupen niet stil houden. Zijn erectie duwt tegen haar billen. Hij schuift haar knieën verder uit elkaar terwijl ik haar lik en onder haar ga liggen. Hij smeert zijn penis in met glijmiddel, trekt dan plots haar heupen achteruit en dringt haar aars binnen. Hij gaat tekeer als en gek en zij buigt zich voorover als een hongerig dier en bijt in mijn tepels en vingert me en hoe meer haar vingers bewegen hoe uitzinniger ik word en daarna kussen we -mijn mond vol kut en bloed. Ze kreunt van pijn als onze lippen raken en ik voel haar wegglijden in bewusteloosheid.
Hij is razend en sleurt me de kamer uit. Hij blijft nog twee uur met haar in de kamer en ik weet dat hij daar dingen doet die ze zich beter niet herinnert.
# Ik:
Ik word wakker op een bank naast blok H. Het is nog donker en stil maar de dag begint aan te breken. Mijn hoofd dreunt en ik voel me misselijk en koud. Als ik naar de deur loop waar alles stil is, ruik ik bloed en mijn lippen zijn als rubber.
Alles doet pijn en ik herinner me niet meer hoe ik hier beland ben. Ik besluit geen medicatie meer te nemen. Ze kunnen op hun hoofd staan maar ik doe het niet.
Tot ze onder me ademt als een beest en rauwe kreten uitstoot.
Paarse geplette aders onder mijn vel. Veel vel verloren in korsten van steenpuin en polsen verbrand. En binnenin een witte ziel.
Ze zit nu in het buitenland, om alles uit te praten. Ze zit alleen te wachten in een hotelkamer op de man die haar verkracht heeft. Iedereen verklaart haar gek, maar het is het moedigste wat ze ooit gedaan heeft.
# Ik:
We staan te wachten achter de bar. De muziek drilt verder en verder weg.
Ze vraagt: "Heb je een vuurtje?"
"Kus me." antwoord ik, verdoofd en eenzaam. Omdat ze nooit zegt wat ze zeggen wil, omdat ik vreselijke dingen hoor van haar vroegere mannen, die ze mij altijd verzwijgt. Iedereen die haar kent zou wel met haar willen vrijen, maar ze doet alsof dat haar kouwe kleren niet raakt. Ze buigt zich naar me toe tot haar lippen op een paar millimeter na de mijne raken en wringt een pakje lucifers uit mijn rechterhand.
Bitch.
Ik volg haar ogen die nerveus opzij schieten. Aan de bar schuifelt hij heen en weer.en ik denk:
Hij wordt kaal. Zo kaal als een hoorn. Ik zie zijn rug, gebogen in het licht. Hij gaat waar zij gaat. Als een kromme donkere schaduw volgt hij haar en snijdt de woorden af. Soms rotzooit hij tussen haar benen en op die dagen zijn haar ogen troebel en naar de grond gericht. Er waren twee zussen, uit één ei. Met de onverbiddelijke hardheid van een predikant velde hij een oordeel. Tussen goed en kwaad. Hij koos de kleinste, de zwakste.
Ik zie het allemaal nu en ze weet het. Ze draait zich van me weg en zegt niets meer. Bedient de klanten, zet een whisky voor zijn neus.
"Ik zie hem staan" zeg ik. Ze kijkt me niet aan. "Elke dag wordt hij lelijker en doet hij je meer pijn. Maar toch trek je hem achter je aan als een hond aan een leiband." Ze huilt. Ik probeer haar te troosten maar ze rukt zich los en ik word kwaad, machteloos. "Wat zou je hem willen vragen? Waarom jij? Zal ik het hem vragen? Zal ik hem opensnijden met een vleesmes? Zal ik hem geven wat hij verdient? En je moeder de medeplichtige huilend bij zijn graf één duwtje en ze ligt erbij, onder de zoden." Ze zakt langzaam op de grond en duwt haar vuisten in haar oren. Ze is ontroostbaar en elke liefdesverklaring aan haar adres is een zweepslag. Haar huid is oud van te weinig kindertijd. Borsten klein als van een 13-jarige. Ik smeek "laat het me proberen. Ik geef je alles wat ik heb ik bescherm je hou hem van je weg ik zal de pijn dragen alle pijn."
Ze kijkt me aan. Ogen blauw en helder halsspieren trekken nerveus. Bijna waanzin.
Een gevoel van misselijkheid komt in me op en barstende hoofdpijn.
"Ok" zegt ze "Als je me bedriegt maak ik je kapot." Ze mikt haar sigarettenpeuk in het whiskyglas.
# Jij:
Ik kijk haar aan. Denkt ze dat ze tegen hem op kan?
Ze weet niet wat haar te wachten staat. Ze zal lijden. Vroege morgen als we de bar verlaten. Hij loopt achter ons aan, maar zij doet alsof hij er niet is. Zelfverzekerd. Ze denkt dat ze de eerste nobele ridder is die mij probeert te schaken.
Als we binnen zijn en de deur achter ons gesloten is, grijpt hij haar vast bij haar nekharen en sleurt haar naar de slaapkamer. Ik volg hem aarzelend. Hij trekt ruw haar kleren uit. Dan haalt hij een touw tevoorschijn, waarmee hij haar polsen vastsjort. Het touw maakt hij vast aan een haak in het plafond, zodat ze verplicht wordt op haar knieën op het bed te blijven zitten. Hij houdt haar vast bij haar dijen zodat ze enkel haar hoofd wat kan bewegen. Ik kleed me traag uit en voel haar blik op me branden. Ze kijkt me aan alsof ik haar ga doden. Ik glimlach, ga voor haar zitten en streel haar zachte borsten en heupen. Ik hoor hem achter me hijgen als ik haar kus. Ik vinger haar er ze kan haar heupen niet stil houden. Zijn erectie duwt tegen haar billen. Hij schuift haar knieën verder uit elkaar terwijl ik haar lik en onder haar ga liggen. Hij smeert zijn penis in met glijmiddel, trekt dan plots haar heupen achteruit en dringt haar aars binnen. Hij gaat tekeer als en gek en zij buigt zich voorover als een hongerig dier en bijt in mijn tepels en vingert me en hoe meer haar vingers bewegen hoe uitzinniger ik word en daarna kussen we -mijn mond vol kut en bloed. Ze kreunt van pijn als onze lippen raken en ik voel haar wegglijden in bewusteloosheid.
Hij is razend en sleurt me de kamer uit. Hij blijft nog twee uur met haar in de kamer en ik weet dat hij daar dingen doet die ze zich beter niet herinnert.
# Ik:
Ik word wakker op een bank naast blok H. Het is nog donker en stil maar de dag begint aan te breken. Mijn hoofd dreunt en ik voel me misselijk en koud. Als ik naar de deur loop waar alles stil is, ruik ik bloed en mijn lippen zijn als rubber.
Alles doet pijn en ik herinner me niet meer hoe ik hier beland ben. Ik besluit geen medicatie meer te nemen. Ze kunnen op hun hoofd staan maar ik doe het niet.
Tot ze onder me ademt als een beest en rauwe kreten uitstoot.
Paarse geplette aders onder mijn vel. Veel vel verloren in korsten van steenpuin en polsen verbrand. En binnenin een witte ziel.
11.1.05
Spiegelpaleis
Het Spiegelpaleis is zowat de bekendste hardhouse keet in de wijde omgeving. Ik ben er vaak voorbij gereden, net over de viaduct naast het kanaal. Het Spiegelpaleis is enorm. Het verheft zich als een verlichte arena over de lege zandvlakte naast de expresweg. Het reusachtige gebouw wordt overkoepeld door een spiegeldak dat zich strak rond twee middenpijlers spant.
De zandvlakte is nu een krioelende chaos van koplampen, draaiende motoren en geschreeuw. In de zwarte wanden zijn duizenden spiegeldeuren voorzien, waar security mannen in zwarte vesten door mondmicrofoons signalementen van mogelijke herrieschoppers doorseinen naar binnen.
Ik loop op een spiegeldeur toe en word tegen de muur gedrukt en gefouilleerd.
Dan breek ik door een muur van geluid naar binnen in een donkere tunnel vol mensenlichamen.
Overal hangt een dierlijke zweetgeur die binnendringt en ophitst.
Ik kom in een enorme ruimte terecht waarin beats uitrollen als golven en de menigte hysterisch en dwangmatig beweegt. In de grauwblauwe rookruimte flitsen kale schedels naast door agressie verwrongen gezichten. Huid spant zich onder trillende spieren en ik kan niet thuisbrengen welk lichaamsdeel bij welk gezicht hoort. Ik worstel hijgend door de stuiptrekkende vacuüm gezogen lichamen en probeer in te ademen.
De gezichten huilen hard met bloeddoorlopen ogen en schreeuwen steeds luider.
Plots worden de beats een gekrijs en vanuit het dak schieten lichtstralen de arena binnen. Vijfhonderd dakkleppen openen zich gelijktijdig in 30 seconden tijd en boren diepe gaten in de dansvloer.
Van op de loopbruggen bij de dakspanten kijken security-leden toe hoe de menigte wegvlucht in de keldergangen. Ik hap naar frisse lucht en wordt wild meegesleurd naar beneden, glijdend langs de glibberige fosforescerende muren. Een hand grijpt naar mijn gezicht en verdwijnt bloedend terug in de massa.
Ik struikel en word tegen de grond gesmakt. Ik lig met m'n hoofd in een plas urine en kokhals. Ik braak over modderige plateauzolen. Als even opkijk zie ik dat ze toebehoren aan een vrouwenlichaam in minirok. Gezicht grauwgrijs wijdopen ogen en wit schuim op de lippen. Het blijft onbeweeglijk liggen onder de trappende schoenen. Arm ligt uitgestrekt en gekneusd in het gangpad en waar ringen zaten aan haar vingers zijn nu bloederige wonden.
Ik word wakker in een luchtkoker. Het is middag maar het schemert hier altijd. Grijs.
De zandvlakte is nu een krioelende chaos van koplampen, draaiende motoren en geschreeuw. In de zwarte wanden zijn duizenden spiegeldeuren voorzien, waar security mannen in zwarte vesten door mondmicrofoons signalementen van mogelijke herrieschoppers doorseinen naar binnen.
Ik loop op een spiegeldeur toe en word tegen de muur gedrukt en gefouilleerd.
Dan breek ik door een muur van geluid naar binnen in een donkere tunnel vol mensenlichamen.
Overal hangt een dierlijke zweetgeur die binnendringt en ophitst.
Ik kom in een enorme ruimte terecht waarin beats uitrollen als golven en de menigte hysterisch en dwangmatig beweegt. In de grauwblauwe rookruimte flitsen kale schedels naast door agressie verwrongen gezichten. Huid spant zich onder trillende spieren en ik kan niet thuisbrengen welk lichaamsdeel bij welk gezicht hoort. Ik worstel hijgend door de stuiptrekkende vacuüm gezogen lichamen en probeer in te ademen.
De gezichten huilen hard met bloeddoorlopen ogen en schreeuwen steeds luider.
Plots worden de beats een gekrijs en vanuit het dak schieten lichtstralen de arena binnen. Vijfhonderd dakkleppen openen zich gelijktijdig in 30 seconden tijd en boren diepe gaten in de dansvloer.
Van op de loopbruggen bij de dakspanten kijken security-leden toe hoe de menigte wegvlucht in de keldergangen. Ik hap naar frisse lucht en wordt wild meegesleurd naar beneden, glijdend langs de glibberige fosforescerende muren. Een hand grijpt naar mijn gezicht en verdwijnt bloedend terug in de massa.
Ik struikel en word tegen de grond gesmakt. Ik lig met m'n hoofd in een plas urine en kokhals. Ik braak over modderige plateauzolen. Als even opkijk zie ik dat ze toebehoren aan een vrouwenlichaam in minirok. Gezicht grauwgrijs wijdopen ogen en wit schuim op de lippen. Het blijft onbeweeglijk liggen onder de trappende schoenen. Arm ligt uitgestrekt en gekneusd in het gangpad en waar ringen zaten aan haar vingers zijn nu bloederige wonden.
Ik word wakker in een luchtkoker. Het is middag maar het schemert hier altijd. Grijs.
9.1.05
Hij/zij
Ik kan op niemand vertrouwen.
En hij, hij wordt steeds nukkiger en kan niets geven.
Over veel moet je niet praten, vindt hij. Het belangrijkste is dat je iets presteert en dat je snel werkt zonder tijdverlies.
Ik kan dat niet. Eerste dacht ik dat het traagheid, verstrooidheid, gebrek aan concentratie en doorzettingsvermogen waren die maakten dat ik nooit boven de middelmaat uitsteeg, maar het lijstje van gebreken is eindeloos. Het is precies dat lijstje dat je moet afwerken om iets op tafel te kunnen leggen dat de moeite is.
Ik zit thuis. Hij loopt de muren op. Als er iets mis gaat dan is dat mijn schuld.
Ik vraag hem niets ook geen geld maar toch moet ik zorgen dat er eten op tafel staat, dat de was gedaan is en dat het huis opgeruimd is.
Ik heb maar één functie in dit huis vol rotzooi en stof: ik ben de moederlijke kuisvrouw, de steun en toeverlaat in bange dagen. Een geduldig oor dat luistert naar gezeik over computerconfiguraties. Een warme vorm in bed (geen geluid maken!), occasioneel de benen spreiden.
We gaan niet op reis.
Avond. Hij zegt dat hij het allemaal anders ziet. En hij twijfelt. Er zijn geen dromen meer. Wij kijken naar elkaars leven en zien niet langer door de grauwe realiteit. We kunnen geen maat houden; Arrogant en krankzinnig. Hij is veranderd.
Ik zie hem pas echt wanneer hij begint te praten. Over verleiding en lichamelijke sensaties die hij elders zoekt. Niet in mijn overvette trage afgestorven vlees.
De verrassende inzichten waar hij naar verlangt, niet in mijn verdorven gekooide geestvol donkere gedachten en tweesnijdende zwaarden. Ik verlang naar hem omdat hij al zo lang bij me weg is. Maar als zijn geest uithuizig is pleeg ik ontucht naast hem in bed. Ik laat hem geloven dat ik hem begeer, maar als ik hem in m'n armen heb, merk ik dat het niet hem is die ik liefheb, maar mezelf.
Ik praat met hem en wordt er ziek van. Maar hij sluit me steeds verder weg in een kooi waar ik alleen niet uit kan.
Ik geef me aan hem over als aan een moeder; Hij straft me daarvoor, noemt me zwak. Ik word de moeder de slaaf en hij, de brave huisvader onthoudt mij van liefde en genot.
Wat is zijn bedoeling? Hij staat mijlenver, tegenover mij, met een mes in z'n hand. Het mes is altijd lang genoeg om mij te raken.
Ik vervloek hem en wil wraak nemen. Ik wil uit zijn leven verdwijnen, hem achterlaten in leegte, zodat hij op zich moet nemen wat ik altijd al voor hem deed.
Dan heeft hij uiteindelijk zijn vrijheid, dan kan hij twee weken rondlopen in vuile was en een stinkende kamer, beschimmeld brood eten en alles wat bij een vrijgezellenleven hoort. Dan heeft hij alles voor zichzelf en vraagt niemand hem waarom.
Hij heeft een ander.
En hij, hij wordt steeds nukkiger en kan niets geven.
Over veel moet je niet praten, vindt hij. Het belangrijkste is dat je iets presteert en dat je snel werkt zonder tijdverlies.
Ik kan dat niet. Eerste dacht ik dat het traagheid, verstrooidheid, gebrek aan concentratie en doorzettingsvermogen waren die maakten dat ik nooit boven de middelmaat uitsteeg, maar het lijstje van gebreken is eindeloos. Het is precies dat lijstje dat je moet afwerken om iets op tafel te kunnen leggen dat de moeite is.
Ik zit thuis. Hij loopt de muren op. Als er iets mis gaat dan is dat mijn schuld.
Ik vraag hem niets ook geen geld maar toch moet ik zorgen dat er eten op tafel staat, dat de was gedaan is en dat het huis opgeruimd is.
Ik heb maar één functie in dit huis vol rotzooi en stof: ik ben de moederlijke kuisvrouw, de steun en toeverlaat in bange dagen. Een geduldig oor dat luistert naar gezeik over computerconfiguraties. Een warme vorm in bed (geen geluid maken!), occasioneel de benen spreiden.
We gaan niet op reis.
Avond. Hij zegt dat hij het allemaal anders ziet. En hij twijfelt. Er zijn geen dromen meer. Wij kijken naar elkaars leven en zien niet langer door de grauwe realiteit. We kunnen geen maat houden; Arrogant en krankzinnig. Hij is veranderd.
Ik zie hem pas echt wanneer hij begint te praten. Over verleiding en lichamelijke sensaties die hij elders zoekt. Niet in mijn overvette trage afgestorven vlees.
De verrassende inzichten waar hij naar verlangt, niet in mijn verdorven gekooide geestvol donkere gedachten en tweesnijdende zwaarden. Ik verlang naar hem omdat hij al zo lang bij me weg is. Maar als zijn geest uithuizig is pleeg ik ontucht naast hem in bed. Ik laat hem geloven dat ik hem begeer, maar als ik hem in m'n armen heb, merk ik dat het niet hem is die ik liefheb, maar mezelf.
Ik praat met hem en wordt er ziek van. Maar hij sluit me steeds verder weg in een kooi waar ik alleen niet uit kan.
Ik geef me aan hem over als aan een moeder; Hij straft me daarvoor, noemt me zwak. Ik word de moeder de slaaf en hij, de brave huisvader onthoudt mij van liefde en genot.
Wat is zijn bedoeling? Hij staat mijlenver, tegenover mij, met een mes in z'n hand. Het mes is altijd lang genoeg om mij te raken.
Ik vervloek hem en wil wraak nemen. Ik wil uit zijn leven verdwijnen, hem achterlaten in leegte, zodat hij op zich moet nemen wat ik altijd al voor hem deed.
Dan heeft hij uiteindelijk zijn vrijheid, dan kan hij twee weken rondlopen in vuile was en een stinkende kamer, beschimmeld brood eten en alles wat bij een vrijgezellenleven hoort. Dan heeft hij alles voor zichzelf en vraagt niemand hem waarom.
Hij heeft een ander.
4.1.05
Tekst bij beelden woestijn olieboring
Diep gloeiende put van liefde. Klein als een haarvat maar oneindig als een doolhof. Wij zoeken jaren naar de juiste toon terwijl de wereld steeds meer gevuld raakt met leugens, futiliteiten, lege hulzen.
Op de vlakte waait het zand beetje bij beetje de krakende lege schelpen onder. Er klinkt een raspig geritsel als de schelpen bezwijken onder het gewicht van het zand en onzichtbaar in duizenden stukjes uit elkaar barsten.
Kilometers verder likt het zand met gerafelde tongen aan de betonnen muren van de stad. De burgers die in de uiterste wolkenkrabbers wonen klagen dat ze er niet van kunnen slapen.
Af en toe wordt 's morgens een bewoner dood in bed gevonden, mondholte tot aan de lippen gevuld met zand. Defecte airconditioning? Niemand poogt deze aggresieve aanvallen van de woestijn te verklaren.
Elk lichaam is een docking station. En wat vergeten de mensen? Dat je nooit ongewapend kan uitgaan. En zwaarden van papier zijn waardeloos. Er moet gewroet worden in de aarde naar echt koper of brons. En de zonnige, onbezorgde mens laat zijn geest steeds opnieuw los en vult gulzig alle gaten van zijn lichaam op met impulsieve verlangens. En terwijl hij daar zo zit te soezen in zijn eigen uitgekwijlde lege woorden en veel te veel te veel zegt, wordt zijn geest gemarteld en gebruikt door de schimmen der aarde.
Een lichaam als een opgesmukte truck, een vuilnisbelt. Leeg. Het praat, maar de geest zwerft uitzinnig over de vlakte.
Op de vlakte waait het zand beetje bij beetje de krakende lege schelpen onder. Er klinkt een raspig geritsel als de schelpen bezwijken onder het gewicht van het zand en onzichtbaar in duizenden stukjes uit elkaar barsten.
Kilometers verder likt het zand met gerafelde tongen aan de betonnen muren van de stad. De burgers die in de uiterste wolkenkrabbers wonen klagen dat ze er niet van kunnen slapen.
Af en toe wordt 's morgens een bewoner dood in bed gevonden, mondholte tot aan de lippen gevuld met zand. Defecte airconditioning? Niemand poogt deze aggresieve aanvallen van de woestijn te verklaren.
Elk lichaam is een docking station. En wat vergeten de mensen? Dat je nooit ongewapend kan uitgaan. En zwaarden van papier zijn waardeloos. Er moet gewroet worden in de aarde naar echt koper of brons. En de zonnige, onbezorgde mens laat zijn geest steeds opnieuw los en vult gulzig alle gaten van zijn lichaam op met impulsieve verlangens. En terwijl hij daar zo zit te soezen in zijn eigen uitgekwijlde lege woorden en veel te veel te veel zegt, wordt zijn geest gemarteld en gebruikt door de schimmen der aarde.
Een lichaam als een opgesmukte truck, een vuilnisbelt. Leeg. Het praat, maar de geest zwerft uitzinnig over de vlakte.
Abonneren op:
Posts (Atom)