Gisterennacht was ze laat thuisgekomen. Ze was gaan dansen in de club aan de oever van de rivier. Toen ze door de voortuin liep merkte ze dat de rode dahlia’s ontbraken. Er waren vijf putten in de aarde.
's Middags vond ze haar moeder in het tuintje. “De Dieven! Godverdomme, die smerige straatjong. Niets is hier veilig. Alles komen ze halen om te verkopen."
In deze tijd van het jaar krioelden alle bloemen in de tuin van de bladluizen.
Maar bladluizen waren te klein voor haar moeder. Met -2 links en -3 rechts was de vlieg het kleinste insect dat ze kon onderscheiden.
Ooit was er een man gekomen om de bladluizen te verdelgen. Door de plantsoendienst verplicht. Het was een lachende Zweed die beweerde dat hij de hele tuin insectvrij zou kunnen maken met behulp van elektrische spanningsvelden.
Ze had hem de hele dag geobserveerd, in de weer met plus-en-min polen.
Een hele dag keek ze naar handen, ruggengraat, schouders, armen met een verlammend gevoel van zalige warmte.
Elektriciteit is eerlijk. De elektrische schok zo eerlijk en direct dat je schrikt maar er is geen pijn, enkel leegte.
En zo was hij klaargekomen. Ze had hem in haar mond genomen. Hij had verkrampt haar haren vastgegrepen en haar hoofd op en neer bewogen.
Het zaad liep uit haar mond. Hij had zelfs een beetje in haar neus gespoten, maar dat durfde ze niet te zeggen en ze liep de hele avond te pulken aan een harde korst sperma waar haar neushaartjes ingedroogd waren.
21.2.05
20.2.05
Crash
Ze houdt van leven op de grens van het gevaar, risico's. Ze is de ideale Bond-girl. Onweerstaanbaar. Erotisch. (aanzwellende muziek)
Ze gooit haar witte jas in de auto, vouwt haar lange benen onder het stuur en start de motor. Even onthult de jeans met lage taille het bruine vel dat rond haar heupbeen trekt.
Ze rijdt naar huis, waar eten klaar staat en wijn. Daar zal ze een bad laten vollopen en haar vriendin verleiden, die zo goed kookt en kronkelt als een slang.
Ze voelt de stof van haar jeans trekken in haar kruis en schuift heen en weer in de autozetel. Ongetemd en geil. En zot van liefde. Zo zot dat het opeens pijn doet.
Alsof duizenden tatoeagenaalden op hetzelfde moment in haar lijf dringen tot op het bot en daar in dikke rode inkt hartjes prikken. Ze schreeuwt het uit en voelt haar lichaam verslappen. Door de tranen heen ziet ze de straatlantaarns blinken, vervormd en streperig. Het duurt maar een paar seconden. Ze hapt nog twee keer naar adem en knalt dan met een snelheid van 170 km/uur tegen een stilstaande vrachtwagen op. Haar haar wappert als dat van een wild dier.
Ze gooit haar witte jas in de auto, vouwt haar lange benen onder het stuur en start de motor. Even onthult de jeans met lage taille het bruine vel dat rond haar heupbeen trekt.
Ze rijdt naar huis, waar eten klaar staat en wijn. Daar zal ze een bad laten vollopen en haar vriendin verleiden, die zo goed kookt en kronkelt als een slang.
Ze voelt de stof van haar jeans trekken in haar kruis en schuift heen en weer in de autozetel. Ongetemd en geil. En zot van liefde. Zo zot dat het opeens pijn doet.
Alsof duizenden tatoeagenaalden op hetzelfde moment in haar lijf dringen tot op het bot en daar in dikke rode inkt hartjes prikken. Ze schreeuwt het uit en voelt haar lichaam verslappen. Door de tranen heen ziet ze de straatlantaarns blinken, vervormd en streperig. Het duurt maar een paar seconden. Ze hapt nog twee keer naar adem en knalt dan met een snelheid van 170 km/uur tegen een stilstaande vrachtwagen op. Haar haar wappert als dat van een wild dier.
8.2.05
Emma
Hij brak los om 4 uur ’s nachts. Pikdonker. De maan was verstopt achter een dik pak wolken.
Nekhaar overeind en tanden bloot. Binnen, aan tafel lachten de mensen onwetend.
Ze vertelde over een liefdesgeschiedenis. Toen ze 20 was bedreef ze voor het eerst de liefde met een meisje. Verward, smoorverliefd. De grote liefde, blind en koppig.
Hij loopt recht op zijn prooi af, vindt zijn weg zonder aarzelen. Het dier uit doodskreten en probeerde nog te ontsnappen. Het fladdert zielig tot tegen de afsluiting.
Snel, licht. De mensen komen kijken en vinden veren overal op de grond en vel en een stuk vlees.
Het dier leeft. Het kruipt weg uit de straal van de zaklamp. Het ziet er verschrikkelijk uit.
De mensen roepen, proberen het dier op te jagen.
"We moeten het doden." zeggen ze. "Het is te zwaar gewond.Het lijdt."
"Nee, laten we de wonden verzorgen."
De mensen lopen, struikelen. Ze hebben veel gedronken. Wijn rood als bloed.
Doden met een schop?
We zullen zien morgen. De tanden hebben te diepe wonden gemaakt. Morgen doden en opeten.
"Het is te donker. Niet dronken doden. Ik kan het niet."
Terug binnen rillen de mensen. Koud. Handenwrijvend. Meer wijn.
Het was een studentenliefde, vertelt ze verder. Ze is weggegaan, terug naar haar dorp, ouderlijk huis. Getrouwd, kinderen gekregen. Het was een schok toen ze weg ging. De klok bleef 10 jaar stilstaan.
Al die lange jaren avontuurtjes met mannen, maar geen vrouw. Geen hart.
Na 10 jaar kwam de klap. Ze brak uit en het verdriet was een kracht. Vrouw na vrouw viel voor de staalblauwe ogen die glinsterden in het maanlicht. Ze jaagde nacht na nacht vol schaduwen op slaapkamermuren, zich vastbijtend in lakens en getatoeƫerde schouders. Gehoorzaam aan een herinnering, een oud instinct. Het was nooit genoeg.
Het dier kan zich niet verweren wanneer de anderen het benaderen. De wonde bloedt niet, maar ze hebben honger. Ze pikken. Pikken wat los zit aan vlees en vel. Pikken het los. Verder en verder. Ze trekken vel en veren weg en eten. Kannibalen.
Terwijl het huis slaapt, brandt de wonde. Steeds groter en dieper en de mensen weten het niet.
Er is een tijd voor zachtheid. Pas jaren later, in de donkere ogen van een zuiderse vrouw, zag ze die liefde. Die liefde die zegt: "Ik zou liever doodgaan dan niet meer bij je zijn. Ik zorg voor jou. Altijd." In haar armen.
Het offer is de weg die afgelegd is.
We hadden het beest moeten doden in de donkere nacht met een schop en de moed van de dronkenschap. En dan vergeten. Het is nu licht en de zon priemt.
Kliefbijl. De wonde ettert.
"Niet opeten." zeggen de mensen.
3 slagen. De bijl is te bot. Snel, neem de schop.
Geschokt. De mensen kijken met open mond naar het stuiptrekkende dier.
De tijd tikt. Na die nacht zijn de mensen familie.
Niet door bloed, maar door hart.
Diep binnenin op de plek van de dood en geboorte en trouw.
En de liefde brandt als een wonde die niet heelt.
Nekhaar overeind en tanden bloot. Binnen, aan tafel lachten de mensen onwetend.
Ze vertelde over een liefdesgeschiedenis. Toen ze 20 was bedreef ze voor het eerst de liefde met een meisje. Verward, smoorverliefd. De grote liefde, blind en koppig.
Hij loopt recht op zijn prooi af, vindt zijn weg zonder aarzelen. Het dier uit doodskreten en probeerde nog te ontsnappen. Het fladdert zielig tot tegen de afsluiting.
Snel, licht. De mensen komen kijken en vinden veren overal op de grond en vel en een stuk vlees.
Het dier leeft. Het kruipt weg uit de straal van de zaklamp. Het ziet er verschrikkelijk uit.
De mensen roepen, proberen het dier op te jagen.
"We moeten het doden." zeggen ze. "Het is te zwaar gewond.Het lijdt."
"Nee, laten we de wonden verzorgen."
De mensen lopen, struikelen. Ze hebben veel gedronken. Wijn rood als bloed.
Doden met een schop?
We zullen zien morgen. De tanden hebben te diepe wonden gemaakt. Morgen doden en opeten.
"Het is te donker. Niet dronken doden. Ik kan het niet."
Terug binnen rillen de mensen. Koud. Handenwrijvend. Meer wijn.
Het was een studentenliefde, vertelt ze verder. Ze is weggegaan, terug naar haar dorp, ouderlijk huis. Getrouwd, kinderen gekregen. Het was een schok toen ze weg ging. De klok bleef 10 jaar stilstaan.
Al die lange jaren avontuurtjes met mannen, maar geen vrouw. Geen hart.
Na 10 jaar kwam de klap. Ze brak uit en het verdriet was een kracht. Vrouw na vrouw viel voor de staalblauwe ogen die glinsterden in het maanlicht. Ze jaagde nacht na nacht vol schaduwen op slaapkamermuren, zich vastbijtend in lakens en getatoeƫerde schouders. Gehoorzaam aan een herinnering, een oud instinct. Het was nooit genoeg.
Het dier kan zich niet verweren wanneer de anderen het benaderen. De wonde bloedt niet, maar ze hebben honger. Ze pikken. Pikken wat los zit aan vlees en vel. Pikken het los. Verder en verder. Ze trekken vel en veren weg en eten. Kannibalen.
Terwijl het huis slaapt, brandt de wonde. Steeds groter en dieper en de mensen weten het niet.
Er is een tijd voor zachtheid. Pas jaren later, in de donkere ogen van een zuiderse vrouw, zag ze die liefde. Die liefde die zegt: "Ik zou liever doodgaan dan niet meer bij je zijn. Ik zorg voor jou. Altijd." In haar armen.
Het offer is de weg die afgelegd is.
We hadden het beest moeten doden in de donkere nacht met een schop en de moed van de dronkenschap. En dan vergeten. Het is nu licht en de zon priemt.
Kliefbijl. De wonde ettert.
"Niet opeten." zeggen de mensen.
3 slagen. De bijl is te bot. Snel, neem de schop.
Geschokt. De mensen kijken met open mond naar het stuiptrekkende dier.
De tijd tikt. Na die nacht zijn de mensen familie.
Niet door bloed, maar door hart.
Diep binnenin op de plek van de dood en geboorte en trouw.
En de liefde brandt als een wonde die niet heelt.
1.2.05
Abonneren op:
Posts (Atom)