31.12.04

Tong is vuur

Bovenop een lichaam, alsof ik bijna zweef. Gloeiend.
Zacht maar toch zorgen beenderen voor de spanning. Er is geen zwaartekracht meer, enkel de druk die wij zelf uitoefenen. Geen kraakbeen om alles op z'n plaats te houden, geen vet om schokken te dempen. Voor het eerst voel ik wat ik altijd al wilde voelen.

Tongue. Tong is vuur. Zoals een draak braak ik woorden uit. Ik raak het hart, het centrum waar de vlammen likken. Tong. Brandend vuur verspreid zich over het lichaam. Tong is verlangen naar liefde en vertellen in het donker.

30.12.04

Dier

Wat doen we vanavond en morgen en al die rottige weekends?
Ga uit. De eenzamen zoeken hun weg in het doolhof van de stad.

Rondlopen met het gevoel dat je je altijd en overal moet handhaven. Uitstralen voor twee. Niemand doet dat toch, zo leven. Verkoop je dan nog liever.

Ik loop met haar mee naar een andere bar. Ze vraagt het. En ik voel me goed, gewoon omdat ik met haar over straat loop. Er is niets meer en ik heb niets van haar nodig alleen dat ze er is.

Even denk ik dat het wel in orde zal komen en heb ik hoop.

Maar dan begint ze te kloten. Ze wil altijd opnieuw alles kapot maken. Voor elke toevalligheid of speling van het lot probeert ze al op voorhand een uitweg te verzinnen.

Alles wat ook maar een beetje aangenaam kan zijn weigert ze. “Ze heeft iemand nodig die voor haar door het vuur wil gaan,” zegt haar broer. Ik denk hard en probeer een tegenzet te verzinnen, maar er is geen enkele manier om haar ook maar iets te laten zien. Ze weet dat ik haar wil en dat is genoeg om me meer te verachten dan wie dan ook.

We zijn mensen met gevoelens en al wat ik zie is pijn.

De nacht is ten einde en ik ben gebroken. Het kan mij allemaal niet meer schelen. Ik stop ermee. Ik laat het menselijke achterwege.

“Waar stop je mee?” Haar mondhoeken krullen op in een donkere grijns. Ze eet verder. Ik heb haar aandacht. Als ik terugkrabbel, als ze me genoeg vernederd heeft, dan kijkt ze. We zijn alleen en dit is de confrontatie.

Ik grijp naar de fles whisky op tafel. Als ze me kwaad wil, dan zal ze dat krijgen. Voor ze ook maar iets vermoedt, sleur ik de dop eraf en gooi ik de inhoud in haar gezicht.

Ze springt op, kletsnat, woedend.

De indringende alcoholgeur verspreidt zich door de keuken. “Je stinkt,” zeg ik droog.

Dan komt ze op me af en moet ik wegduiken om haar vuisten te ontwijken. “Jij, smerige kut.” sist ze. “Ik zal je leren”.

Het wordt net licht buiten. De eerste auto’s vertrekken en zij heeft me in een houdgreep, draait mijn pols om tot ik het uitschreeuw van pijn. “Ik haat je,” roep ik. Ze ramt haar knieën in mijn zij en ik klap dubbel op de grond, happend naar adem. Ze gooit zich op me en duwt haar gezicht en natte haar in m’n mond. Ik krijg geen lucht. De whisky brandt in m’n keel en m’n ogen. Ik grijp me vast aan haar dijen en ze sjort me mee naar de badkamer. Ze draait kranen open en begint zichzelf de kleren van het lijf te sleuren, terwijl ze me met één hand bij m’n haar grijpt en van zich af duwt. Ze is sterk genoeg om me tot onder de kraan te duwen. IJskoud water beukt in op m’n schedel.

“Rotte teef.” hijgt ze in m’n oor. “Ik had het kunnen weten.Waarom ben ik ook met je meegegaan…”

“Hierom,” antwoord ik snel en bijt in haar oor zo hard ik kan.

Ze probeert haar hoofd af te wenden en ik zie haar borsten uit haar hemdje puilen. Mooi, bruin. Ze heeft kippenvel en dikke, keiharde tepels.

Ik steek m’n hand uit om ze aan te raken, maar ze grijpt me opnieuw bij m’n haar vast en duwt me verder naar voor, het bad in. Haar hele lichaam beukt plots tegen me. Ik verlies m’n evenwicht en val voorover op m’n buik. M’n hoofd knarst tegen de bodem van het bad. Ze zit op me en klemt haar sterke dijen rond de mijne. Ik voel haar tenen in m’n knieholten boren. Ik kan geen kant meer uit. Ze draait de kranen nog verder open. Ik voel het warme water langzaam z’n weg zoeken onder m’n lichaam. Ze gaat me verdrinken.

“Laat maar eens zien wat je kunt.” sist ze. “En haast je.”

Ze duwt haar vingers tussen mijn benen binnen en ik voel het water in m’n kut dringen. De warmte verspreidt zich kloppend. Telkens zij haar vingers dieper in me probeert te rammen duwt ze m’n hoofd dieper in het water. Ik wil me verzetten, maar hoe meer ik me tegen haar keer, hoe langer dit zal duren. Ik hap naar adem. Ze wil de baas zijn. Ik zal ze laten denken dat ze me gebroken heeft. Ze ramt nog steeds ritmisch, traag en diep. Ze duwt haar schaambeen tegen mijn onderrug.

Ik probeer me te ontspannen en te concentreren op het warme bonzen van het bloed en de vingers in m’n kut. Maar het waterpeil stijgt en ik wordt steeds langer onderwater geduwd.

Hoe meer ik naar adem snak hoe meer zij er van lijkt te genieten. Haar borsten wiebelen op en neer bij elke beweging, ze lacht me uit en probeert 3 vingers in m’n kut te duwen. Te kort, slechte hoek. Hoe kan ik zo klaarkomen? Ze geeft me geen eerlijke kans.

Ik word opnieuw kwaad en herinner me hoe ze me afsnauwde vannacht, de trut. Ik beweeg harder onder haar en schuur mijn billen tegen haar kortgeschoren schaamhaar.

Ze begint te ontspannen. Ik krijg meer lucht. Ze hijgt nu en beweegt alsmaar sneller. Ik kan haar bijna niet volgen. Maar mijn arm is vrij en in één slag kan ik haar uit evenwicht brengen. Ik sla haar recht in het gezicht. Haar handen grijpen meteen naar haar wang. Ze schrikt zo erg dat ze vergeet mijn hoofd en knieën onder controle te houden.

Ik duw me recht en gooi haar op de badkamervloer. Ze kijkt me nog steeds verbaasd aan, terwijl ik me over haar buig. “Rotwijf, wil je me vermoorden misschien?” roep ik. “Ach, je hebt niet eens genoeg gevoel in je lijf om een moord te begaan.”

“Amateur!” roept ze terug, bijna onmiddellijk. Haar ogen vonken, maar de slag heeft haar verzwakt. Ik grijp haar enkels vast en sleep haar naar de woonkamer. Zo ver mogelijk over de ruwe kokosmat tot bij de trap.

Ik trek m’n hemd uit en bindt er haar handen mee samen boven haar hoofd, rond de vierde trapspijl.

Ze sluit haar ogen en beweegt niet, spaart haar krachten voor een volgende aanval.

Ik loop snel naar de keuken en haal de whisky. Snel giet ik een slok in haar keelgat. Dat helpt. Ze proest het uit en realiseert zich dan pas echt in welke situatie ze belandt is. Hoe meer ze duwt en trekt hoe vaster ze haar boeien aantrekt, daar heb ik voor gezorgd. Ik zie hoe ze probeert om snel een plan te bedenken, een list waardoor ik haar los zou maken. Dan zou ze me vernederen tot ik alles zou geven om haar te doen ophouden.

Maar ik geef niet toe, hoe ze me ook smeekt. Ik raak haar niet aan, trek alleen haar kleren verder uit en zet de verwarming wat hoger. Ik drink whisky. Haar woede bouwt zich op. Haar armen worden zwaar en haar geduld is op. Maar ze weet dat dit niet het einde is en voor het eerst zie ik dat haar blik onzeker wordt.

Ze heeft mooie heupen, alles is rond en bruin en zacht. Als ze haar armen beweegt, zie ik de spieren in haar bovenarmen bewegen onder haar huid. Ik bekijk haar en geniet. Ze richt zich op en begint te schoppen. Trots en kwaad en vooral te koppig om toe te geven dat ze nu verloren is. Ik stap op haar toe en duw met mijn lichaam het hare tegen de muur. Ze spartelt tegen en doet alsof ze walgt van mijn lijf. Onze borsten raken en een rilling trekt door mijn lijf. Ze hijgt in mijn nek, maar ze bijt niet. Ik kneed haar borsten in m’n handen. Ze zijn vol en ik weet dat ik haar opgeil. Ze wordt natter en duwt haar heupen tegen de mijne.

“Wat wil je van me?” fluister ik in haar oor. “Meer whisky?” Ze schudt haar hoofd van nee, maar ik heb de fles al vast en neem een flinke slok. Dan neem ik haar gezicht in m’n handen en kus ik haar. Ze wil m’n tong maar ik duw de whisky in haar mond. Ze slikt niet, laat de vloeistof lopen langs haar hals en borsten. Traag, met het puntje van mijn tong, lik ik alle whisky op, tussen haar borsten, in het kuiltje van haar sleutelbeen en dan lager. Langs haar heupbeen, dijen, knieën, onderbeen en één voor één haar tenen. Dan terug omhoog, langs de binnenkant van haar dijbeen. Ze trilt. Ze trilt van emotie en ik die dacht dat ze niets kon voelen. Ik lik zo traag mogelijk en ver weg van waar ze me wil. Dan kus ik haar en ze kust wild terug. Ik heb geen schrik meer dat ze in mijn tong zal bijten. Mijn vinger gaat bij haar binnen en ze zucht. Ik probeer haar clit zo weinig mogelijk aan te raken en zoek haar g-spot. Ze is zo geil dat ze enkel nog wil bewegen, als een dier. Haar spieren ontspannen en trekken weer samen en haar huid gloeit. Ze heeft moeite om recht te blijven staan.

“Wil je me?” fluister ik in haar nek. “Ja.” zegt ze “Ja ik wil je, ga door, niet stoppen.”

Maar ik stop toch en maak haar los en duw haar naar de slaapkamer, op het bed.
Ik masseer haar polsen en ze trekt me op haar en slaat haar armen rond me.
Ik beweeg zachtjes mijn heupbeen tegen haar natte clitoris. Ze is zo geil dat ze haar bewegingen amper kan controleren. Ik duw haar heupen in de matras om haar orgasme zo lang mogelijk uit te stellen, maar ze komt bijna onmiddellijk. Hard en lang. We blijven bewegen en telkens ik mijn heup en dijbeen tussen haar benen duw, kreunt ze.

Haar dijbeen duwt nu tegen mijn clit en ze wringt een hand tussen onze heupen om me te helpen. Ik ben al even nat als zij. Ik voel haar vingers over mijn kut glijden en ik weet dat het hoogtepunt nadert. Een paar diepe bewegingen en ik sidder en krimp ineen boven op haar. Het komt zo hard en hevig. Ze streelt mijn rug en laat me op haar liggen, heel stil.

“Dier.” zegt ze in mijn haar. “Jij,” antwoord ik.”jij bent mijn dier.”

29.12.04

Verleden

Ik heb van een heleboel mensen echt gehouden. Maar ik heb het hen nooit gezegd. Het lag op mijn lippen de hele tijd soms jaren, maar ik slikte het in als het moment er was. Misschien was mijn leven anders een hopeloos slagveld geworden. Ik word gemakkelijk verliefd.

Ik werd verliefd op hen die het minst hun geheimen prijs wilden gegeven. Ze hielden stand. Ik kwam dicht heel dicht. Ik rook hun parfum, hun haar en werd dronken. De meesten waren vrouwen die naar me zwaaiden vanop de andere oever. Ik ben nochtans een goeie zwemmer, maar ik stond daar op de kant en ben nooit gesprongen.

Ik was bang van mezelf. Ik had steeds een keffer bij, zo'n volgzaam mormel van een valse onedele hondensoort dat iedereen op afstand hield. Dat bleek uiteindelijk ook niet effectief. De keffer viel de verkeerde personen aan. Personen uit mijn schatkist die ik opblonk en met zachtheid omringde maar die ik niet begeerde tussen de lakens.
Hij geloofde niet dat ik op blondjes viel. Ik bracht de keffer in verwarring door hem toe te laten me binnen te dringen elke week. Hij zei dat hij ervaring had. We praatten er nooit over maar de eerste keer reet hij me aan stukken. Wat er tussen ons gebeurde ging altijd meer om kwantiteit dan kwaliteit.
Hij werd lui en ik sleepte hem achter me aan, terwijl ik probeerde m'n gevoelens voor hem uit te zoeken. Ik had hem reeds geslagen met alle mogelijke wapens van verraad en ontrouw. Ik had me verlaagd tot teef van een domme jachthond, kussen gestolen onder zijn ogen en hem van liefde onthouden. En dan, in al mijn slechtheid, sneed ik de leiband door. Ik liet hem achter op de grond in een dwaas café met een half pakje sigaretten en haastte me uit zijn leven. Ik heb gehoord dat hij nu gelukkig is. Hij is bij de rijkswacht gegaan.

Uitvergroot in lichtgevoeligheid zie ik de obsessies. Ik maakte koninginnen van hen. Groot in hun gevoelens en zwaar in hun beslissingen. Maar in dit gevaarlijk moeras van sluimerende lust wordt elke koningin vroeg of laat verraden. Ik leerde al hun geheimen kennen door anderen te ondervragen. Ik kocht hun geliefden om en hoorde hun tragische geschiedenissen.

Er was er één die speciaal was. Die zo sterk was dat ze me bijna vernietigde als ze haar mond open deed. Misschien kwam dat door haar lippen. Voor haar was ik zo doorzichtig als een glas bronwater. Ze toonde zich gevleid. Ik herinner me hoe koud en wild het water was en dat ik bijna verdronk. Ben ik dan toch gesprongen?
Ik hield van haar en ze wist het, maar of het haar ook maar iets kon schelen, dat zei ze nooit.
Ik deed het meest haatvolle dat ik kon bedenken. Ze voelde zich intens gelukkig omdat in haar barre liefdesleven een mooie zachte man verschenen was. Ze straalde.
Ik gaf hen zelfs de tijd niet om de liefde te bedrijven. Ik nam hem van haar af.
Ze heeft het me nooit vergeven. Ze stortte zich bijna hals over kop in een huwelijk.

Ik zag haar later op de bus. Terwijl we moeizaam converseerden krijste ik in stilte al mijn zenuwen bijeen. Wat het huwelijk betreft: ze bedacht zich op het allerlaatste moment. Uit verdriet doe je vreemde dingen, maar ik wist wel dat ze zich niet zou laten kooien voor minder.
Verraad ik ken er alles van.

Uiteindelijk werd ik gestraft voor al m'n wandaden. De mooie zachte man die ik gevangen had besloot bij me te blijven. Passionele liefde overviel ons en we werden gek van angst.
Hij kon niet meer eten en ik onthulde al mijn geheimen in de hoop zijn vertrouwen te winnen. Soms moesten we elkaar slaan om het roepen te stoppen en 's morgens waren we uitgeput en leeg. Ik verloor mezelf ergens onderweg in een andere stad, maar ik denk niet dat dat toen nog uitmaakte, want hij had gekozen hij had beslist dat hij niet als een waanzinnige wilde leven en hij gooide water op het vuur en trapte de nasmeulende kolen uit in mijn hart. Terwijl zijn moeder de boel opkuiste, maakte hij rechtsomkeer naar een vorige vlam. Die rijk was maar hem nooit in haar armen nam en streelde.

Ik dacht dat ik het niet te boven zou komen. Alles was gebroken. Het duurde jaren voor ik weer rechtop kon lopen. En toen bleek dat niet alles op de juiste manier aan elkaar gegroeid was. Er was iets veranderd. Ik zou durven beweren dat ik in het herstelproces enkele mutaties ondergaan had...

Dit is niet het begin. Het verhaal bestaat tussen de lijnen door. Je vindt het in kleine plotse conversaties, aan barkrukken midden in de nacht, in woede-aanvallen en verdriet, in de ogen van anderen, in een andere stad, ladderzat en roepend in cafés, in dromen. Zoals vele verhalen bleef het onverteld. Iedereen heeft tenslotte zijn verhaal en wie interesseert zich tegenwoordig nog voor het verleden.

28.12.04

N.V.

Zij werkt overdag in een bedrijf dat dodelijker is dan een nazi-experiment en vooral langzaam verlamt. 's Avonds in haar bunker staart ze voor zich uit. Televisietoestel blijft aangesloten op de wereldwijde kots van tv-beelden. Ze staart met een absurd leeg hoofd en panikeert wanneer ze steeds weer getreiterd wordt door angsten en waanbeelden (dat de wekker elk moment ontzettend luid kan aflopen, dat de gaskraan lekt of dat er plots geen werk meer zal zijn). Veraf klinkt het hoge krijsen van een baby die tegen een deurpost gekwakt wordt tot hij zwijgt. Het behangpapier krult van de muren.

Naamloze vennootschap. De kleuren zijn zacht. Grijstinten. De airco maakt geen geluid en houdt het gebouw net ietsje te warm, te oncomfortabel om je goed te voelen. Geen buitenlucht en blinden voor de ramen. De schuiven zijn geolied. De deur is hermetisch afgewerkt met rubber.

Elke luchtverplaatsing loopt gecoördineerd. Stemmen bijten in telefoons met opmerkingen en dwingen hun plaats af in de hiërarchie. Dan komen de fouten en de vergissingen, de onbeantwoorde eisen en de verwijten. Steeds meer metaforen sneuvelen en de maatpakken krabben zich op het achterhoofd en vragen zich af of er iets schort aan het imago. De koers daalt.

De managers kletsen de hele dag door en zakken na zeven uur met lege magen af naar een bar voor een rondje op hun kosten. De wijn is uitstekend maar smaakt niet in de met tapijt gedempte bar. Lampenkappen van Joods leer. Aan het rechtse tafeltje een transseksueel die blauwe Belgam rookt. Niemand let erop en de manager zwetst voort. Trots op zijn jongste zoon. Als het wicht tekenen van ontevredenheid vertoont, zo vernemen wij, wordt het voor de buis neergeplant met een horrorvideo. Het monstertje gaapt verbijsterd met grote ogen. De manager lult voort en breekt de weg open, slaat de straatstenen in stukken en het stof waait op. Hij pocht en pocht en alles is te veel.

's Nachts als (als) de manager slaapt, ontdaan van zijn driedelig statussymbool, heeft hij een droom. Dezelfde droom en de enige droom die hij in jaren gehad heeft. Hij opent een deur en ziet zijn vrouw tegenover hem staan. Zijn vrouw zegt: "wanneer gaat nu die tweede badkamer klaar zijn schat?"

Klasseren, klasseren, klasseren, mompelt de misvormde dwerg. Hij is de rechterhand van de architect hier op de zevende verdieping. Een prestigieuze job. Omdat hij amper 1m20 lang is kan hij enkel gebruik maken van de onderste legplanken en schuiven in de kasten. Hij loopt op de verdieping rond als een gestresseerd stekelvarken in te diep water. Als we hem volledig en compleet beu zijn, zet ik hem wel eens op de bovenste plank in de wandkast. Dubbel glas en volledig geluidsdicht. Haal je hem er twee uur later uit, dan heeft hij uit pure frustratie de helft van het papierwerk opgeknaagd.