22.3.05

Vechten of vluchten

Een vervolg op dit
“Dus nam ik een vliegtuig naar elders, op zoek naar het echte verhaal. Een stapel reisgenoten in mijn rugzak, in het geval de illusie een betere keuze zou zijn dan de realiteit. Vanuit die realiteit schrijf ik vandaag.”

Vakantiefoto’s:

#1
De wolken zijn zacht als watten. Onder mij de oceaan. Ik gooi de boeken naar beneden. Minutenlang blijven ze zweven voor ze volledig uit het zicht verdwijnen. Als speldenkoppen. De wind rukt de bladen uit elkaar in strepen en waaiers.
Wild en diep onder mij de oceaan, golven glinsterend in de zon.

#2
Ik sta in een woestijn. Kamelen huilen en er is niets behalve het schurende zand. Kogelhulzen. Oorlog. Mijn gids vreest de koude nacht. Als de temperatuur daalt, krimpen de granaatscherven in zijn schedel in elkaar. Hij kermt wanhopig en kijkt naar de maan.

#3
Liefde als jouw arm die zich ongemerkt rond mijn kussen nestelt. Het is vroeg. Ik mag je niet wakker maken. De grootste opgave: je niet aan te raken. Je warme, zachte huid, je geur, je gespierde schouders, je sleutelbeen. Je borsten, je ronde heupen.
Ik heb je gevonden. Eindelijk. In een land van oorlog en dood. Voortaan zal ik leven met angst. Elke dag, wanneer je de bus opstapt naar huis. Wanneer je uitgaat in de stad. Aan grenscontroles. Overal zal ik je zien. In de krant, op tv. Levenloos langs de weg. Bloedend wegrennend, handen voor je gezicht. Uiteengereten en verbrand.

De realiteit is angst.

8.3.05

behoefte

De behoefte aan liefde wordt steeds groter. Hoe meer ze krijgt, hoe groter de behoefte. Ze vraagt zich af wanneer het eindigt, wanneer wordt het te veel?
En erkenning, ze holt ernaar toe als een kind dat de ijskar hoort aankomen.

Hoe graag, hoe veel, hoe belangrijk. Alles wordt minutueus afgewogen.
Elke persoon wordt kapot geanalyseerd, tot er niets meer overblijft dan een beetje meerwaarde voor haarzelf.

Ze moet zich beheersen. Zoals haar moeder zich soms moet beheersen om haar niet voluit op de mond te kussen. Het is een teken van liefde, van toenadering, van algemene overgave, maar het mag niet. Het past niet.

Vroeger was ze gereserveerd. Ze was niet in het reine met haar gevoelens.
Ze had de passie opgesloten, wat er nog restte, diep van binnen na de ravage.
Hij zei haar dat ze koud was. Dat ze haar gevoelens niet kon uiten. En zijn familie, zijn familie was anders. Hij was een man met een hart. Dat was voor hij begon te gokken en alles kwijtspeelde.

Hij had gelijk. Ze had hem niet alles gegeven. Hij wilde het niet. Hij liep weg en bekende dat hij haar vreesde. Haar blik, haar intellect, haar hang naar het betreden van onherbergzaam gebied.

Later, terwijl ze de opgedroogde vallei van scheiding en miserie doorploeterde, kwamen de vrouwen. Sterke vrouwen met in hun kus de liefde van moeder en hoer, van vriendin en geliefde.

Wat ze nauwelijks kon geloven was de zachtheid. Ze voelde wat ze was en wat ze wilde. Er was een opening. Ze wilde doorgaan tot ze lichaam en geest kende. Tot in elk klein detail. Ze wilde vrouwenogen vangen. Ze wilde zoveel liefde, die oude, allesverwoestende liefde van begin en einde. Van niets en altijd en willen sterven als ze je verlaat.

Elke dag opnieuw is een gevecht. Ze wil dat iedereen naar haar kijkt, terwijl ze duikt in de diepte, ruggengraat in brand, koortsige huid. Ze wil ze allemaal pakken tussen hun benen, tot ze heet zijn en verlangen.
Pas dan wordt ze rustig, als zij haar verlangen delen.

7.3.05

witte woede

Het medische team vloeit voort
als een gebroken rood motiefje
Iedere ochtend
leeg neervallen
een kleine lichaamsoperatie
zwetend
de dag voor de witte lichten
de therapeuten van het verleden
maken tongen los
Een bodemloos vat
mensen blijven graven
deuren
openen en sluiten

1.3.05

Sint Rita

Toen ze mij kwamen ophalen regende het. De hele dag al te veel water dat als trage bloedstromen naar beneden rolt.
Als het regent in Sint Rita wordt het gebouw een drijvend vlot. Overal loopt water door buizen, goten, riolen, keldertrappen, in ondergrondse nissen. De ratten worden meegespoeld. Het water raast en kolkt in alle holten. De muren worden mossig. Er gapen barsten en gaten. Opgekrulde varens rollen zich snokkend uit. Een eeuwige kilte bedekt de vloertegels met een dun laagje mist.
Doordraven doordraven tot je niet meer weet wie je bent.
De gevangenen, gecolloceerden, halve garens zitten roerloos ineengekrompen in hun vochtige cellen en wachten tot het onweer voorbij is. Hoe langer het duurt, hoe meer goede voornemens wegkwijnen en hoe meer de rillende gestalten vervreemd raken van de buitenwereld. De storm trekt alle hoop met zich mee door klappende deuren.