dinsdag, september 27, 2005

Dagboek van een waanzinnige week 3

Vandaag op de trein kwam er een knappe, jonge vrouw tegenover me zitten. Ze leende m’n pen (die niet werkte). Ze huilde. De hele rit was een nachtmerrie. De vrouw keek naar zichzelf in de ruit. Er hing een ondraaglijke spanning. Ik kon niets doen, niets zeggen. Na een tijdje was het alsof ik haar kende. Het leek erop dat ik zonder iets te zeggen toch nuttig was, omdat ik er zat.
In het station aangekomen zei ze tegen me: “Nog 20 minuten”. Ze lachte door haar tranen.
Toen ik opstond zei ik met m’n stomme kop: “Er komt een einde aan. Het beste.”
Ik trilde toen ik uitstapte.
Een hopeloos hoofd heb ik. Te groot en te eng. Er is zelfs geen plaats voor iemand anders.
Creative Commons Licentie
Op dit werk is de Creative Commons Licentie van toepassing.