woensdag, mei 25, 2005

Minister van rand

Ik dacht dat het diep was, een afgrond. Dat er over het niets was.
En dat de minister van rand maar wankelend zijn evenwicht zoekt. En dat hij staat waar hij hoort, zwetend met oorsuizingen en angst die de spieren verhardt. Op de rand.

En dan denk ik aan mijn rand, aan onze rand en dat ik achter je moest lopen, omdat je niet zou kunnen verdragen me te moeten zien struikelen.
Het was niet de rand die ons doodsangsten gaf het was de afgrond. Het niets. Het was het niet kunnen aanraken van iets, het totale gebrek aan houvast. En we liepen met bonzende harten en we zeiden tegen elkaar, als we vallen zijn we dood. Dat is een zekerheid. Het sterven is mooi. Een val van duizend meter, zonder obstakels. Wat een luxe om de lucht zo te voelen.
De angst was te verliezen. Voor eeuwig achter te blijven in dit beeld van een gapend gat. En ik dacht: "Wat moet ik haar nog allemaal vertellen?" En voelde lucht duwen in mijn mond. Ik kon alleen maar zwijgen en zweten en hijgen.
Creative Commons Licentie
Op dit werk is de Creative Commons Licentie van toepassing.