vrijdag, november 02, 2012

Ik ben de moerasvrouw van je carrière
je windstille vrouw
ik fluister door het water
tot je naakt bent
houd je
een week lang
in weerzinwekkend alcohol
roerloos
aleen mijn zonderlinge dagdromen

ik die zoveel van je hield
Nu vlamt haat in mij op
barsten en beneden de dauw

Modderlucht uit je bek
verraad het dier
ik adem moeizaam door je neusgaten
heel vroeg die dag
was ik je
schouder en oksel
zakken in het riet
snuivend geveld

het vertedert me dat je voort blijft praten

dinsdag, oktober 23, 2007

Dwaaldag

Ik loop niet vaak te slenteren over straat, maar vandaag dwing ik me om te blijven stappen. Het wordt donker en de straatlampen floepen aan. De herfstkou trekt over mijn onderrug. Mijn ijzige handen voelen aan als papier. Ik kijk naar de verlichte kamers met mensen die eten en kranten lezen . Ik heb vandaag een dwaaldag.
In mijn hoofd blijf ik hangen bij alle grote vergissingen die ik ooit heb gemaakt.

Labels:

donderdag, januari 25, 2007

Griezelgedicht

Omdat zij er nu toch over begint.
Dit griezelgedicht heeft heel lang op de kleerkast in mijn kamer gehangen:

Anne Sexton - The Lost Lie

There is rust in my mouth,
the stain of an old kiss.
And my eyes are turning purple,
my mouth is glue
and my hands are two stones
and the heart,
is still there,
that place where love dwelt
but it is nailed into place.
Still I feel no pity for these oddities,
in fact the feeling is one of hatred.
For it is only the child in me bursting out
and I keep plotting how to kill her.

Once there was a woman,
full as a theater of moon
and love begot love
and the child, when she peeked out,
did not hate herself back then.
Funny, funny, love what you do.
But today I roam a dead house,
a frozen kitchen, a bedroom
like a gas chamber.
The bed itself is an operating table
where my dreams slice me into pieces.

Oh love,
the terror,
the fright wig,
that your dear curly head
was, was, was, was.

donderdag, januari 11, 2007

het leven

Ik had nochtans gezworen dat ik me niet zou laten doen door het leven.
In die suffe kop, die trage vetklomp, had een elektrische verbinding een besluit tot stand gebracht. Van punt één naar het andere. Blijf vrolijk. Geniet.
Maar chagrijnigheid zit blijkbaar ingebakken in alles wat ik doen.
Het is zoals waterskiën op blote voeten. Het kleinste twijgje of obstakel op het water kan een drama veroorzaken als je erover walst.
Ik heb me al tot het boeddhisme gewend. Dat hielp niet echt. Een cynicus blijft tenslotte een zwartkijker. Leven na leven, nee….
Weet je wat mijn probleem is? Daar heb ik namelijk al uren (alles bij elkaar dagen) op doorgemaald. Dat heb ik mooi gelokaliseerd. Mezelf aangepraat.
Ik kan niet gelukkig zijn. Er is een stuk dat ontbreekt en ik slaag er niet in om te vinden waar het ontbreekt, laat staan wat.
Echt structureel zoek ik niet. Laten we zeggen dat ik voornamelijk intuïtief te werk ga.
Daarbij natuurlijk eerst die domeinen aftastend die me het best liggen. Beginnen bij het voor de hand liggende gebied van het trauma. Als amateur-psycholoog graven in jezelf is leuk, maar het is voornamelijk een eenzame bezigheid. Verveelt gauw. Analyse van zonden en deugden. Daar kunnen we voor een hele tijd mee aan de slag. In de uithoeken van de ziel zoeken naar het beest, het beest vinden en er dan van weglopen. Veel zonden, weinig deugden.
Streng zijn voor jezelf. Leg een filter over je bewustzijn. Een blauwdruk van je projecties en verwachtingen. Zoek vervolgens de uitweg uit dat labyrint.

Dat bewustzijn wikkel ik al jaren in, als een mummie in een sarcofaag. Zo’n uitgedroogd, taai stuk gebalsemd leer zonder inhoud. Omhulsel. Ik heb het behandeld met chemicaliën en kruiden. Gemarineerd en ontsmet. En toen dat niet hielp genegeerd en geschopt. Tot het wegkroop als een geslagen hond. Ik navigeer blind nu, op kaart en kompas. Autostop en veel te voet.

Ik zoek een deur om door binnen te komen, een goeie deur, niet zo’n achtertuinpoortje of een stukgeslagen raam. Geen autodeur met centrale vergrendeling.

donderdag, november 16, 2006

Uit te roepen op leeg podium

Dat gij mij nodig hebt als een stuk orgaan. Mijn vlees.
En het enige dat ik me nog herinner is die blik van u toen ik efkes uit mijn rol schoot en alles een moment lang anders was. Ik zag het in uw ogen: wanhoop binnenstebuiten gekeerd.
Toen dacht ik: is dit een teken, een intersectie met de toekomst? Want tijd is immers niet lineair. Is dit een teken dan, om te zeggen dat ik net zo goed bij u kon zijn dan bij haar?

woensdag, november 01, 2006

Crisisjaren

Die jaren waren crisisjaren in de stad.
De muren blonken van het vet, zwetend in de warmte. Kinderen werden ziek. De politiek leek in slaap gedompeld. Er was geen energie voor luid gelach, muziek of theater.
Met de avondschemer verviel de stad in een plakkerige stilte.
Het was op zo'n warme zomeravond dat ik haar voor het eerst zag.
Mensen verzamelden aan de rivier, om koelte en een zuchtje wind te vinden. Kettingen van zoekers, alleenstaanden die de slaap niet konden vatten. Die niet verlangden naar hun hete bed met zware lakens.

donderdag, juni 29, 2006

Nieuwe woorden

Gedumpt zegt de krant. Vermoord en gedumpt.
En ’s avonds in bed zeg je dat ik niet genoeg woorden voor je heb.
Ik noem ze op, jouw woorden en je zegt:“ Dat is niet genoeg.”
En dan merk ik dat er niet genoeg woorden zijn om jou te beschrijven.

Wat kennen wij? Riooldeksel, ondergronds kanaal, spoorwegberm, jungle, struikgewas, gewurgd, dna, parket, verdachte, seksueel misbruik, delinquent, onderzoek. Vermoord en gedumpt.

Ik moet een woord vinden voor mooie witte steen op een keienstrand, gestroomlijnde golf die naar de branding toe beweegt. Licht dat geometrisch doorsijpelt op een stoffige ondergrond. Zachte huid waardoor je een heupbeen voelt, het dikke, donkere vel van tepels, het geluid van vuurwerk in de verte, de kracht waarmee een fles ontkurkt wordt, de beelden die ik zie als ik het scherm uitzet en m’n ogen dichtknijp.

dinsdag, mei 09, 2006

Mijn man is manisch

Mijn man is manisch
Ik weet meer dan de dingen
die ik me kan herinneren

De jaren werden korter
Hij deed zijn nachtschoenen aan
Ik werd bang
En heb sindsdien de sleutel van mijn dochter

Hij kan heel bezorgde dingen zeggen
Met veel geluk
Maar heeft om zich te uiten
de gevallen engel nodig

En het hele huis dat hij bouwde
Zo mismaakt als mijn bedriegen

De periodes zin zijn bijna ongemerkt geworden
Meestal blijft hij achterop, altijd terug bij
Maar soms loopt hij
of wordt hij zo mijn leven
dat hij weer helder lijkt
Op de 10 jaar geluk
en dan kan hij lief zijn
Alsof jij mij niet hebt gehad

vrijdag, mei 05, 2006

Ons

Jonge wijn in je glas. Scheut.
En de pijn in haar ogen.
De woede als een vuurbal in haar maag.
Vuurvreter kotst de jaren uit.

maandag, mei 01, 2006

Homo Melody

De aanstaande man van Sylvi van Sylver (Sylvi Melodie dus) zou zijn zoon op straat gooien als hij homo zou zijn. Ouch, die uitspraak kwam hard aan in de homogemeenschap.
Maar het gastenboek op de Sylversite geraakte daarmee dan toch ook vol...
Zo vol dat het nu "ontreactiet" moet worden of hoe noemt men zo iets: under contruction?

via Gaylive

dinsdag, april 18, 2006

Sara's Manifest der Praktisch Idealisme

donderdag, april 13, 2006

Stad (3)

Het stinkt hier als de pest. Buurman kakt zeker in een hoekje van de kamer.
Zijn wekker loopt al een halve dag af en de dubbele hartslag bonkt door.
Gisterennacht is er ingebroken bij de overburen (niet Lulu, maar daarnaast in C45). Een pak geld weg bestemd voor het betalen van een waarborg aan de eigenaar van het appartement. Eén van de twee jongens die er wonen is regelrecht in een psychose geraakt. Voor zover ik weet zijn er geen instellingen in de stad. Zouden ze hem naar één of ander groendorp sturen? Hij is in ieder geval plots verdwenen.
De andere kerel kan de huur niet meer betalen en pakt z'n spullen bij elkaar.

Overmorgen wordt de buurman begraven. Bleek dat hij al twee dagen midden in zijn eigen ingewanden lag te rotten.
"Doodsoorzaak darmsluiting, maagcatarrh, galkoliek. Ik weet het niet." Zucht de dokter.
"Dat betekent dat je je eigen stront uitbraakt." Zegt mijn andere buurman, een dandy met een blonde vrouw die graag doorkijkbloezen draagt. Hij ruikt naar haarlak en staat geamuseerd toe te kijken in de deuropening.

Ik ben niet gaan kijken, maar ik zag de politiefotograaf kokhalzend naar buiten strompelen. Daarna kwam een desinfectieploeg de hele gang en de appartementen onderspuiten met een roos goedje. Ze zeiden niets. Misschien is het wel besmettelijk. Een van hen gaf me een papiertje "Overheidsdienst 32189: Overheidsgebouwen, nazorg & desinfectie bij overlijdens".

maandag, april 10, 2006

Stad (2)

Mijn naaste buurman heeft zich al twee dagen niet laten zien.
Zijn nieuwe vriendin is kwaad vertrokken en hij is daar nog steeds niet van bekomen.
Zijn klanten bellen vruchteloos aan en hangen teleurgesteld op de gang rond.
De deur blijft toe.
Buurman. De jezus van de scheermesjes. De discipel van de koffielepel.
De snuivende zondaar stampend tegen alles wat zich ook maar enigszins gelukkig voelt. Zijn ogen zijn ondoorzichtige knikkers gedrenkt in petroleum.
Geen straaltje licht bereikt zijn uitgedroogd netvlies. Hij eet zand. Elke dag een handvol. Om zijn brandend maagzuur te bedwingen. Het helpt niet. Ik hoor hem boeren door de muur heen.

dat Gij Liefde zijt, en eenzaam

Voordat ik in de Nacht ga die voor eeuwig lichtloos gloeit,
wil ik nog eenmaal spreken, en dit zeggen:
Dat ik nooit anders heb gezocht
dan U, dan U, dan U alleen.

Gerard Reve (1923-2006)
De Meedogenloze Jongen (In strakke Jeans gehuld) huilt nu wellicht Purperen Tranen.

vrijdag, april 07, 2006

Stad

Zoals in elke stad zijn ook hier wijken ontstaan. Wolkenkrabberwijken. De dure buurten hebben spiegelruiten, ruimte, kunstig geconstrueerde terrassen, permanente camerabewaking, geluidsdichte muren en deuren.

De krabbers die de doodgewone mens kan betalen zijn eigenlijk onleefbaar. Verhuurders kunnen zich alles permitteren, want wie in het bezit is van enig vastgoed stelt zijn eigen huurwetten op.

De goedkopere krabbers zijn oud, vuil, grauw en verkrotten langzaam. Er wordt geprutst met gasboilers en met het elektriciteitsnet.
De schimmelige gangen lopen vol spelende kinderen. Vanuit openstaande deuren van appartementen klinkt geroep. Radio's en televisietoestellen staan te luid tegen elkaar op te spelen. De airco is stuk en de geur van gebakken vet en vis vermengt zich met die van kattenpis. Alles is hier hersteld, gebricoleerd en lelijk.

Ik neem een appartement op het einde van een vrij rustige gang in een beruchte krabber.

“Een nest vol criminelen, vreemdelingen en bendes”, zeggen de oude mensen.
De jongen van wie ik het hok overneem leeft er al drie maanden zonder elektriciteit of water, samen met z'n twee gigantische herdershonden. Hij heeft zowat alles meegepikt wat hij kan gebruiken: deurklinken, wc-bril, brievenbus.
Ik sluit me twee weken op en verf de muren. Lees prulromannetjes. Elke dag kijk ik naar de bruine vochtkringen die opnieuw verschijnen op de pas gewitte muren. Naast mij woont een drugdealer denk ik. De hele dag door lopen mensen er binnen en buiten. 's Nachts draait hij slechte muziek. Eén keer loopt hij om 5 uur 's morgens door de gang te brullen om aandacht. Hij spuit een anarchieteken op zijn deur en zet zijn punkmuziek nu nog harder. Door de muur hoor ik basdrums als dubbele hartslagen. Nakende geboorte of is het zwanger met de dood.

Achter de deur rechtover woont een meisje alleen, Lulu. Zwart haar en veel eyeliner. Als ze uitgaat brengt ze gewoonlijk iemand mee naar huis. De hele gang hoort haar klaarkomen.

donderdag, april 06, 2006

netwerk

Een vrouw zit op de trein. Mensen bekijken haar. Ze is gekleed in het zwart. Sober maar stijlvol. Ze gaat naar de hoofdstad. Niet als zichzelf maar als vertegenwoordiger voor een bedrijf en het gaat over miljoenen. Daarom heeft ze zich een identiteit aangemeten.
Zwart geeft haar een goed gevoel.
Ze is rustig, want ondanks de chaos in haar hoofd is ze erin geslaagd op tijd te parkeren bij het station, een kaartje te kopen en de trein te halen.
Met verende tred stapt ze door de straten van de hoofdstad naar het gebouw met de 3 draaideuren waar zelfs de muren bekleed zijn met tapijten en eruit zien als de board rooms uit Amerikaanse films.
Ze moet contacten maken, maar de naamkaartjes ontbreken. "De printer heeft het laten afweten," verontschuldigt de secretaresse zich bij het onthaal.
Ze prutst aan de knopen van haar nieuwe jas. De knopen komen los, één voor één.
Ze zet zich neer, gegeneerd. Bloed stijgt naar haar hoofd als ze een knoop opraapt die onder een stoel gerold is.
Luisteren. De lucht is warm en droog. Een man spreekt in abstracte begrippen. Woorden in ambtenarentaal waar ze de betekenis niet kan achterhalen. “Mainstreaming” en andere vormen van communicatie waarbij ze zich niets kan voorstellen. Ze tekent cirkels op een blocnote. De man naast haar tekent een auto.
Plots draait de vrouw die voor haar zit zich om. In paniek.
Hand voor haar neus en mond. Een dikke bloeddruppel valt op haar grijze wollen rok.
“Heeft u soms een papieren zakdoekje?”

zondag, februari 05, 2006

St. Rita Regennacht

Mijn kamer is beige beige beige. Schapenpis. De muren oneffen. Ik kan de schilderstrepen zien vanuit mijn bed. Tandpijn door de ijskoude zinken verwarmingselementen en het piepende bed als ik beweeg.
's avonds hoor ik de leidingen trillen. Het water loopt de hele nacht. Ik droom over het kind.

's Nachts breek ik los. Ik sluip door de gangen. Mijn voeten zacht over de gladde tegels. In de gangen wordt beige groen door de nachtverlichting. Ik glijd langs muren, voorbij een raam. Mijn voeten zijn gevoelloos en mijn vingernagels bloeden.
Aan het einde van de gang staat een engel. Een blonde engel in witte jas. Een jonge boom van 1m90. Twee handen uitgestrekt nemen me vast en trekken me mee schuifelend. Ik lig dicht tegen het lichaam aan dat beweegt door de gang. Het danst met mij. Danst mij helemaal terug naar mijn kamer tot ik mijn voeten weer voel tintelen en mijn handen gloeien. Geen woord. Ik zie een gapende wonde in het voorhoofd.

Als ik 's morgens wakker wordt loop ik voorbij het raam van de nachtzuster. Een dikke vette gans zit daar te breien. "Is de nachtzuster hier?" vraag ik. "Al weg" antwoordt de gans zonder op te kijken van haar breiwerk. Ik druk m'n nagels in m'n handpalmen en slof naar de ontbijtzaal.

dinsdag, januari 31, 2006

pap

Waarom lacht ze niet? Waar is haar sarcasme?
Waarom is ze een platte doos zoals een bord vol pap?
Altijd te veel, maar je denkt dat je anders honger zal hebben.

donderdag, januari 12, 2006

veer

Waar begint het, in welke tijd? Geen.
Er was eens een vrouw die voelde dat er iets ontbrak.
Moest ze uit mechanische onderdelen opgebouwd zijn, dan zou ze denken: een veer.
Of één of andere hefboom die meer olie nodig had.
Maar het equivalent van een metalen veer in een mensenlichaam? Ze kon het niet vertalen.
Al van toen ze klein was wile ze weten wat er in de aarde zat. Waarom?
Misschien omdat ze er uiteindelijk zou eindigen. In die lagen stuifzand of humus, leem of lei.
Hoe meer ze zich in zichzelf keerde, hoe dieper en holler ze werd.
Of waren het haar wortels die steeds verder vertakten en dun werden als haren?
De vrouw was niet ongelukkig. Ze kon openbloeien. Ze leefde in een mooi huis met een mooie man en dieren.
Haar tuin was 's zomers een paradijs vol vreemde planten. Orchideeën groeiden op de muren. Cactussen schoten hun bloemen 4 meter hoog de lucht in. Bijen werden haast gek van de overvloed aan nectar die ze er vonden.
De vrouw zat graag in de tuin, voeten in de aarde.
Ze dacht dan aan alle verhalen die ze al had gehoord.
Aan al die levens die ze wilde aanraken, vasthouden voor enkele minuten, in een poging ze te begrijpen.

maandag, december 05, 2005

Gat

Het huis oogt koud en onbewoond. Grote barsten lopen van het balkon op de eerste verdieping naar beneden langs het voorportaal. De ruiten zijn stoffig vuil van de aanhoudende regen. Mijn kamer ligt aan de achterkant, onder het dak. Mijn kamer vol barsten en scheuren en vochtige muren. Moeder zit beneden terwijl ik uren lang in de spiegel staar. Ik staar en huil, omdat er niets anders is. Misschien ben ik niet goed bij m'n hoofd, een zottin. Misschien is het mijn lichaam dat mij voor de zot houdt.
Zo zot als een achterdeur. Goed opgevoed maar ergens uit de bocht gegaan. Door de mand gevallen. Ontmanteld.
Manisch depressief, gebrek aan levenslust, zeggen de dokters. Ze bedoelen dat er een groot zwart gat is in mijn ziel waarin alles verdwijnt en opgeslorpt wordt. "Daar moeten we aan werken," mompelen de specialisten, maar volgens mij is dat gat niet op te vullen. De randen zijn niet stevig genoeg. Alles verdwijnt krantenpapier, vulcement, betonijzers.
Mijn moeder wil dat ik een job zoek, zodat ze 's avonds kan koken voor iemand die het nodig heeft. Dan kan ze zich om vijf uur vlug naar de supermarkt haasten, in zichzelf mompelend "Amaai ik heb weer tijd te kort vandaag." Ze weet het, van dat gat. Ze is bang dat ze op een dag zelf zal verdwijnen. Gisteren zei ze dat ze me niet meer herkent. Dat ik... en dan stopt ze en zucht ze diep. Ik steek een sigaret op en proef de ontsmettingsgeur van het ziekenhuis. Het hospitaal waar ik een jaar gewoond heb, waar ze gespecialiseerd zijn in het opbouwen van constructieve persoonlijkheden en waar ze alles opnemen op cassette.

vrijdag, december 02, 2005

RVA

Wie in de stad verblijft maar geen officiële job en dus geen inkomen heeft, moet naar de RVA. Het RVA-gebouw is het op één na vuilste overheidsgebouw van de stad.
De ingang is volledig verstopt onder stellingen en zeilen. De gevel wordt gereinigd.

Het gebouw is oud en er zijn al ettelijke verdiepingen bijgebouwd.
Vermits elke verbouwing of uitbreiding via een openbare aanbesteding verloopt (nu ja, het helpt wel als men graag gezien is bij de architectenorde) is de overheid verplicht telkens in te gaan op het goedkoopste aanbod. Afhankelijk van de beurskoersen, fluctuaties op de bouwmarkt worden steeds andere grondstoffen gebruikt. Van Franse steen tot cementblokken.

Het gebouw ligt vol met dossiers. Enkel op de benedenverdieping werkt de slome administratie verder tussen zand- en stofpartikels. De gangen zijn opgedeeld in hokken en volgepakt met bureau’s. De occasionele nieuwe werkkracht heeft soms dagen nog om de weg naar zijn/haar bureau te memoriseren.
Tweemaal per dag, bij aankomst en vertrek, wordt verwacht dat je iedereen op je weg begroet. Dan gonst het gebouw als een bijenkorf en is telefoneren onmogelijk.

Vlagen fijne zandkorrels waaien door de kieren van ramen en deuren binnen in de wachtkamer en het geluid van de zandstraalmachine buiten rafelt je zenuwen uit.
Velen geven het wachten al na enkele uren op.

Eindelijk komt de verantwoordelijke je halen voor de verklaring. Je zwalpt achter hem aan naar zijn bureau door kleurloze gangen. Elke actie die je ondernomen hebt, een job, inschrijving, een opleiding of een excuus om geen van beiden te hebben gedaan, krijgt een enkele regel in je dossier. Chronologisch.
Als er ooit een regel vergeten wordt in je dossier, kan dit nooit meer gecorrigeerd worden.
"Waarom heb je formulier C567bis hoofdstuk angsten niet ingevuld?" vraagt de verantwoordelijke me.
Ik zie zijn lippen bewegen maar hoor enkel zwaar ruisende sinusgolven. Hij houdt het papier bijna tegen mijn gezicht en wijst. Zijn vinger bevindt zich net boven het hokje vliegangst.
"Geen angsten." zeg ik snel.
Hij zucht en krabt met de punt van een schaar in zijn nek.
"Het is geloofwaardiger als je toch én of twee angsten aankruist hoor", zegt hij zuur.
Hij legt de schaar terug. Er kleeft bloed aan. Zweetdruppels rollen van zijn voorhoofd.
"Claustrofobie en euh ... faalangst." vult hij aan.
Ik knik onverschillig.
Het tekenen van de verklaring is steeds een beproeving.
Eerst leest de ambtenaar het volledige document voor. Ik knik zwijgend bij elke nieuwe bepaling, terwijl de ogen van de ambtenaar langzaam veranderen.
De irissen lopen uit als eidooiers. Paarsachtige tranen lopen vanuit zijn ooghoeken over zijn gezicht.

Ik teken een bestempeld blad vol leugens die buiten dit gebouw niet bestaan.



Twee weken later. Hulpkas.
Bij de hulpkas word je steeds opnieuw doorgestuurd omdat er extra rubrieken ingevuld moeten worden, werkdagen bewezen en verduidelijking moet worden verschaft bij het dossier.

Er staat een huisvrouw aan het loket. Ze vraagt of ze een vergoeding voor alleenstaande probleemvrouwen kan krijgen, want ze zit in die categorie.

Eindelijk is het mijn beurt. Ik mag aan één van de twee loketten een aanvraagformulier invullen. "Bel ons vanmiddag maar op" antwoordt de vrouw achter het glas. Het dossier is nog niet rond.

Aan de andere kant van de lijn hoor ik kantoorgeruis. Het lijkt alsof deze geluiden zorgvuldig opgenomen en gefilterd zijn. Stemmen net niet verstaanbaar, het ratelen van toetsenborden, sterk gecompresseerd.
Na een kwartier, als vanuit een vacuüm zegt een stem: "Ik kan helaas uw dossier niet meteen terugvinden. Kunt u morgen terugbellen?"
Net voor ze de hoorn oplegt, hoor ik op de achtergrond een kind huilen.

zondag, oktober 16, 2005

huh?

Ik heb geen geheugen
enkel de rode kantjes
van de melige moeder
die reilt en zeilt
in het luchtledige

In het holle bed
besta ik weet ik
vanuit een ander perspectief
En 's morgens
weegt de zwaartekracht

dinsdag, oktober 11, 2005

Communicatie

dinsdag, september 27, 2005

Dagboek van een waanzinnige week 3

Vandaag op de trein kwam er een knappe, jonge vrouw tegenover me zitten. Ze leende m’n pen (die niet werkte). Ze huilde. De hele rit was een nachtmerrie. De vrouw keek naar zichzelf in de ruit. Er hing een ondraaglijke spanning. Ik kon niets doen, niets zeggen. Na een tijdje was het alsof ik haar kende. Het leek erop dat ik zonder iets te zeggen toch nuttig was, omdat ik er zat.
In het station aangekomen zei ze tegen me: “Nog 20 minuten”. Ze lachte door haar tranen.
Toen ik opstond zei ik met m’n stomme kop: “Er komt een einde aan. Het beste.”
Ik trilde toen ik uitstapte.
Een hopeloos hoofd heb ik. Te groot en te eng. Er is zelfs geen plaats voor iemand anders.

vrijdag, september 23, 2005

Dagboek van een waanzinnige Week 2

Op het gebied van dromen kan ik nu al veel dingen. Bvb niet echt slapen, sluimeren en dromen alsof mijn geest volledig weg is. Meer alsof ik zelf in mijn onderbewuste rondzwerf.
Ik kan me in gezelschap afsluiten en niet meer denken. Dood.

Gisteren kreeg ik weer van die vieze hallucinaties. Dikwijls voel ik me alsof delen van mijn lichaam niet van mij zijn. Ik kan ook heel snel beelden oproepen.
Ik verander helemaal.

Nu worden al mijn gevoelens omgezet in negatieve woede.
Iemand vertelde me dat hij verliefd is en plots realiseerde ik me hoe alleen ik eigenlijk ben. Al die jaren. Vroeger zorgde communicatie –eerlijk of vals- toch steeds voor sterke emoties.

Ik kijk geen tv meer.

donderdag, september 22, 2005

Dagboek van een waanzinnige week 1

Ik lijd aan een acute vorm van solipsisme. Dromen, altijd maar opnieuw. Nachtmerries over grootwarenhuizen en producten. Hoge gebouwen en verdwaalde mensen die ik ken. Een nieuwe obsessie M.
Ik weet niet wat ik zeg. Het is alsof ik regelrecht vanuit mijn onderbewuste praat en ik kan het niet controleren.
Ik zeg verkeerde dingen. Later kan ik me dan wel voor m’n kop slaan.
Oppervlakte is leegheid geworden. Ik heb mijn greep verloren.
Een zelfmoord. Grootmoeder brengt het nieuws. De wereld is te klein geworden voor sommige mensen.
Vriend S. wordt een geestesverwant. Hij doet rare dingen. Zoals jongens kussen.

Ik twijfel nog: is het enkel opvulling, of is het echt?

Op perron nul in Rotterdam wordt een dealer afgemaakt met twee kogels.
De minister schuift lachend zijn lege bord opzij en snuift een lijntje coke.

De meeste dingen glijden langs me heen.

woensdag, september 21, 2005

jubilee

Ivy is dood. Al jaren. Het was een auto-ongeluk. Ze kwam van haar werk en werd verrast door een tegenligger, die op haar rijvak slingerde op het verkeerde moment.
Het is jaren geleden dat ik haar stem nog hoorde. Ik zou haar willen zien nu. Kleine lachrimpels onder haar ogen. Ik vraag me af of het litteken op haar voorhoofd er nog hetzelfde uitziet. Of het aangetast is door de tijd.
Zou ze problemen hebben met haar rug? Door het werken, het heffen en tillen van tegenspartelende patiënten? Hoe is het als iemand sterft en ook nog blijft leven?
Wat doe je met al die keuzes?
Was ze misschien aan de drank geraakt. Of bij haar partner weggegaan en een nieuw leven begonnen in een andere stad, een ander land. Mensen doen zo van die gekke dingen als ze ouder worden.

Ik vraag me af waar iedereen naar toe is. Wat is 10 jaar? Ik hoor dat ver weg in het geboortedorp een vriendin niet zwanger kan worden. Ze neemt hormonen, vermagert, wordt iemand anders, krijgt een tweeling. Ik durf haar niet te bezoeken. Wij zijn niet meer wie we waren.

dinsdag, september 20, 2005

zucht

Wat maakt de metafoor een steen?
De woorden een muur tussen ons.
Ik schrijf moeizaam, kras letter per letter.

donderdag, augustus 11, 2005

Valavond

Valavond. Bij -15° liepen we door de hoofdstraat van een vreemde, grijze stad, glijdend over het ijs een donkere bar binnen. Het was alsof we terug schoolmeisjes waren. Je had iets raars met tijd en stiptheid. Daarom moesten we ons na het drinken plots haasten en snel terug lopen naar ons hotel. Glad ijs. We lachten en gingen bijna onderuit. We grepen elkaars arm vast en wankelden.

dit ogenblik tot eeuwigheid

woensdag, juli 06, 2005

Geolied

We hadden plannen. We gingen uit die nacht. We vonden een discoteca waar wij de enige buitenlanders waren. Een grote zaal en een podium met roodfluwelen gordijnen. Tafels met wit linnen en garçons in tuxedo, bewegend als knipmessen. En in het midden de dansvloer. We waanden ons in een vooroorlogse music hall. Terwijl op het podium smartlappen werden afgewisseld met wilde volksmuziek en schaarsgeklede dames die liefdesliedjes zongen, dronken we wijn.
We moesten soms roepen in elkaars oor. Ik wilde je meer en meer, maar ik kon niet uitmaken waarom. Misschien alleen omdat je me voedde. Als scharnieren van een machine die plots verder draaiden. Geolied, zodat er beweging in kwam. Een hele wereld ging open en ik kon zien in de verte.
Ik wist dat het niet je hart was dat sprak, maar pure lust. Mijn ogen gevangen door je vingers op de hals van je wijnglas. Mijn stem onzeker in een vreemde taal.
Voor het eerst besefte ik de kracht van woorden. Ik zag wat er ontbrak in jou. En jij, jij spak over hoe we konden verdwijnen in de nacht. Die ene nacht die ons nog restte. Zo ver van huis dat een tussenlanding noodzakelijk was. Zo ver van wat ons leven was.
Wat valt er uiteindelijk nog te zeggen, als je jezelf shockeert. Als het verlies zo groot is dat je het niet kan bevatten.

vrijdag, juni 17, 2005

Je moet de problemen niet zoeken

De Gezinsbond zegt dat een gezin moet bestaan uit een vader en een moeder.
Holebigezinnen zijn volgens de bond geen gezinnen en worden dus ook niet vertegenwoordigd.
Wie zoekt er nu eigenlijk problemen?

Op 19 juni houdt de Gezinsbond zijn "Dag van het gezin". De Holebifederatie roept op om actie te voeren. Klik op de link voor meer info.

http://www.holebifederatie.be/gezinsbond


woensdag, juni 08, 2005

Sprookje

Als ze wakker wordt voelt de minnares zich als de prinses op de erwt. Nog trekken de vezels in het topje van haar kleine teen.
Ze is alleen in een kasteel vol waaiende deuren. Openen zich langzaam. Sluiten snel zodat je de tocht op je hielen voelt. It's all show-bizz.
Verlangen naar het onbereikbare. Een leven waar je geen touw aan kan vastknopen. Geen ster die je kan leiden in zo'n geval.
De erwtenkoning laat zijn beste lakeien opdraven om de twaalf deuren te openen die de minnares van de buitenwereld scheiden. Deuren van kwelling, jaloezie en dubbele dosissen kalmeermiddelen. Witte glazen deuren van instellingen en gangen vol kamers van vijf personen. En vooral veel sloten.
Waarom onthoudt een mens nu juist die dingen die zo verschrikkelijk zijn? Kwellingen en beproevingen uit dromen diep in de nacht die je uit je bed jagen naar de rust van de koelkast of het lege trappenhuis.
Zeven jaar lang dwaalde de minnares rond in het kasteel. Tot ze op een nacht de twaalfde deur bereikte. Als ze door de laatste deur naar buiten wil stappen, staat daar een oude man. "ik verkoop appels. Oogstappeltjes. Geïnteresseerd?"
De minnares slaat de deur toe en keert terug. Ze staat in de keuken van haar moeder en voelt een klap in haar gezicht.
"Ga zitten en eet." zegt moeder. Voor me staat een bord soep.

zondag, juni 05, 2005

Andere woorden willen gebruiken

De vrouwen dansen, duwen hun heupen tegen elkaar. Ik zit neer op een drempel en denk “Godverdomme, hoe zou het zijn moest ik voor één keer de woorden die voel, die ik uitspreek in gedachten, kunnen onthouden.”
Ik denk aan vuile seks, verraad. Hoer. Het vertrouwen dat er niet is. Dief.
En niet uitdagen. Ik weet niet waar het ophoudt. Je naakte rug tussen de warme lakens in een bed.
Iemand kussen. Denken aan tong die duwt in je mond en langs je tanden glijdt. En seks zonder gevoelens alleen maar vel en behoeften om honger te stillen, aangeraakt te worden, te kreunen terwijl iemand anders het hoort.
Ik zit op de grond en wil niets. Ik wil onzichtbaar zijn, niet meer bestaan, wegbranden. Hier en nu, mij compleet overgeven, in coma gaan. Ik wil in mijn broek pissen als een oude dronkaard en buitengegooid worden, lachend. Ik wil vechten, krabben, duwen, neuken.

woensdag, mei 25, 2005

Minister van rand

Ik dacht dat het diep was, een afgrond. Dat er over het niets was.
En dat de minister van rand maar wankelend zijn evenwicht zoekt. En dat hij staat waar hij hoort, zwetend met oorsuizingen en angst die de spieren verhardt. Op de rand.

En dan denk ik aan mijn rand, aan onze rand en dat ik achter je moest lopen, omdat je niet zou kunnen verdragen me te moeten zien struikelen.
Het was niet de rand die ons doodsangsten gaf het was de afgrond. Het niets. Het was het niet kunnen aanraken van iets, het totale gebrek aan houvast. En we liepen met bonzende harten en we zeiden tegen elkaar, als we vallen zijn we dood. Dat is een zekerheid. Het sterven is mooi. Een val van duizend meter, zonder obstakels. Wat een luxe om de lucht zo te voelen.
De angst was te verliezen. Voor eeuwig achter te blijven in dit beeld van een gapend gat. En ik dacht: "Wat moet ik haar nog allemaal vertellen?" En voelde lucht duwen in mijn mond. Ik kon alleen maar zwijgen en zweten en hijgen.

dinsdag, mei 17, 2005

verleden

Wat weet ik nog van die woorden van toen? Die zinnen die kwaad en woedend vloeiden?

vrijdag, mei 13, 2005

Moord is een anagram voor droom

Voorspel

Drie mensen blijven achter in een verlaten café . Een stuk in de nacht. Muzak en gedimde lichten. Twee vrouwen, een man. Ze wachten. Zijn twee ex-geliefden.
De vrouwen horen al lang thuis te zijn, maar ze blijven, aangetrokken door de spanning die alleen zij in evenwicht kunnen houden. Het café moet gesloten worden, maar de sleutel is spoorloos. Zo gebeurt het dat er af en toe een zwaarbeschonken late klant komt binnen waaien. De ene vrouw schenkt hem dan bier, op kosten van de zaak.
Er wordt veel gezegd. Meer dan hardop wordt geuit.
De godin voert meestal het woord. Peilend naar de restanten van haar ex-minnaar. Zij zegt : "We zouden de deur kunnen barricaderen" maar bedoelt "Kan je ooit nog hetzelfde voelen als wij toen." Hij knikt alleen maar.

Iedereen zoekt licht 's nachts om half vier. Het donkerste punt in de wereld. Toch moet iemand gaan. "We laten hem gaan" zeggen de vrouwen tegen elkaar, want wie waagt het om deze plaats te verlaten. Tegen hem: "Zou je niet eens proberen iemand te bereiken ?"

Het einde van een grote avond. De zaak is opgeruimd. De tapkranen blinken in het schijnsel van de nachtverlichting. Een wrak van een man zit lijkbleek en zwijgt. Hij overweegt. De godin dirigeert de nacht.

Een telefoon rinkelt eindeloos. "Ik slaag er maar niet in iemand te bereiken." zucht hij.
De twee vrouwen zwijgen. Ze denken niets. Ze voelen: iemand heeft de behoefte gehad zichzelf te overtreffen.
"Zin in een raadseltje?" vraagt hij. "Hoe komt het dat dieren niet verliefd kunnen worden ?"
Hij loopt naar de deur en verdwijnt, slenterend langs het kanaal op zoek naar de sleutel.

Naspel

Moord is een anagram voor droom.
Wat als de dromen de realiteit overnemen. Dromen overvallen je als moordenaars.
En als minnaars. Le temps des assassins.

Haar blonde haar is kleverig van het ingedroogde bloed. Ze ligt op de grond.
In haar hoge voorhoofd een gat. De grootte van een kogel. Bloed loopt langs haar neusvleugels naar haar hals. Ze is alleen. Eindelijk.

donderdag, mei 12, 2005

Rand

Wapenstilstand. Een feestdag. A. wordt gewekt door het tromgeroffel van een fanfare in de verte. Ze kronkelt haar ledematen als een kat. Naast haar ligt een man te slapen.

Ze heeft vrienden. Net als iedereen. Vrienden als slangen, die door relaties kruipen. Die haar vertellen wat ze niet wil horen.
A. merkt pas na de ontmoetigen hoezeer het haar uitput te praten. Een rol te spelen. Jezelf zijn. Jezelf.

A. speelt spelletjes. Die recycleert zij dagelijks in haar geest. Ver weg van alle feiten, op planeetwater diep genoeg om in te verzuipen. Een wonderbaarlijk leven, zegt men. Het meisje en de mythologie.

Naakt staat ze tegen zijn rug geleund. Ze omarmt zijn borstkas. "Ik wil niet teruggaan." fluistert ze.
Later zal ze schrijven: "Je vertelde me dat je vissen ving zonder net. Als een beer. Toekijken als een schaduw. Dan een grijphand in het water."
Dat had ze gedroomd. Ongedateerd.
Enkel de dromen houdt ze nauwkeurig bij op losse snippers papier in de schuif van haar bureau. Dagen en uren vergeet ze.
Ze leeft niet echt in het leven maar op de rand.

De rand en de afgrond. Of misschien is ze een van die mensen die ontdekte dat er helemaal geen rand is. Wat steeds overblijft als rest is een eindeloos kluwen van schakels waarin afzweren aansluiten betekent.

woensdag, mei 11, 2005

Ik leef in cirkels

"Altijd was er de pagina die alles eindigde en mij terug in mij transformeerde."

Ik leef in cirkels. Cyclus na cyclus.
Het einde is een ander begin.
Vorig jaar bloeide de Clematis niet zo mooi.
Je had minder grijze haren. We plantten en zaaiden.
En kochten de Japanse kerselaar.
Vorig jaar lazen we de pagina die alles eindigt
en het was een nieuw begin.

maandag, april 04, 2005

Google woorden

zaad slikte drank
goede stand autozetel
erotisch verhaal mooie lange benen
hoofdpijn
passionele liefde
tepels sigarettenpeuk
schaamhaar
slang in haar kut
bruine en zwarte billen
tweesnijdende zwaarden
witte woede
signaal
onder minirok kijken
koud traag schuim matras
keldertrappen
stilstaande hartjes
onderwater vrouwen bloot
borsten statussymbool
dierlijke emotie
trillende spieren en moe
gebroken schaambeen

dinsdag, maart 22, 2005

Vechten of vluchten

Een vervolg op dit
“Dus nam ik een vliegtuig naar elders, op zoek naar het echte verhaal. Een stapel reisgenoten in mijn rugzak, in het geval de illusie een betere keuze zou zijn dan de realiteit. Vanuit die realiteit schrijf ik vandaag.”

Vakantiefoto’s:

#1
De wolken zijn zacht als watten. Onder mij de oceaan. Ik gooi de boeken naar beneden. Minutenlang blijven ze zweven voor ze volledig uit het zicht verdwijnen. Als speldenkoppen. De wind rukt de bladen uit elkaar in strepen en waaiers.
Wild en diep onder mij de oceaan, golven glinsterend in de zon.

#2
Ik sta in een woestijn. Kamelen huilen en er is niets behalve het schurende zand. Kogelhulzen. Oorlog. Mijn gids vreest de koude nacht. Als de temperatuur daalt, krimpen de granaatscherven in zijn schedel in elkaar. Hij kermt wanhopig en kijkt naar de maan.

#3
Liefde als jouw arm die zich ongemerkt rond mijn kussen nestelt. Het is vroeg. Ik mag je niet wakker maken. De grootste opgave: je niet aan te raken. Je warme, zachte huid, je geur, je gespierde schouders, je sleutelbeen. Je borsten, je ronde heupen.
Ik heb je gevonden. Eindelijk. In een land van oorlog en dood. Voortaan zal ik leven met angst. Elke dag, wanneer je de bus opstapt naar huis. Wanneer je uitgaat in de stad. Aan grenscontroles. Overal zal ik je zien. In de krant, op tv. Levenloos langs de weg. Bloedend wegrennend, handen voor je gezicht. Uiteengereten en verbrand.

De realiteit is angst.

dinsdag, maart 08, 2005

behoefte

De behoefte aan liefde wordt steeds groter. Hoe meer ze krijgt, hoe groter de behoefte. Ze vraagt zich af wanneer het eindigt, wanneer wordt het te veel?
En erkenning, ze holt ernaar toe als een kind dat de ijskar hoort aankomen.

Hoe graag, hoe veel, hoe belangrijk. Alles wordt minutueus afgewogen.
Elke persoon wordt kapot geanalyseerd, tot er niets meer overblijft dan een beetje meerwaarde voor haarzelf.

Ze moet zich beheersen. Zoals haar moeder zich soms moet beheersen om haar niet voluit op de mond te kussen. Het is een teken van liefde, van toenadering, van algemene overgave, maar het mag niet. Het past niet.

Vroeger was ze gereserveerd. Ze was niet in het reine met haar gevoelens.
Ze had de passie opgesloten, wat er nog restte, diep van binnen na de ravage.
Hij zei haar dat ze koud was. Dat ze haar gevoelens niet kon uiten. En zijn familie, zijn familie was anders. Hij was een man met een hart. Dat was voor hij begon te gokken en alles kwijtspeelde.

Hij had gelijk. Ze had hem niet alles gegeven. Hij wilde het niet. Hij liep weg en bekende dat hij haar vreesde. Haar blik, haar intellect, haar hang naar het betreden van onherbergzaam gebied.

Later, terwijl ze de opgedroogde vallei van scheiding en miserie doorploeterde, kwamen de vrouwen. Sterke vrouwen met in hun kus de liefde van moeder en hoer, van vriendin en geliefde.

Wat ze nauwelijks kon geloven was de zachtheid. Ze voelde wat ze was en wat ze wilde. Er was een opening. Ze wilde doorgaan tot ze lichaam en geest kende. Tot in elk klein detail. Ze wilde vrouwenogen vangen. Ze wilde zoveel liefde, die oude, allesverwoestende liefde van begin en einde. Van niets en altijd en willen sterven als ze je verlaat.

Elke dag opnieuw is een gevecht. Ze wil dat iedereen naar haar kijkt, terwijl ze duikt in de diepte, ruggengraat in brand, koortsige huid. Ze wil ze allemaal pakken tussen hun benen, tot ze heet zijn en verlangen.
Pas dan wordt ze rustig, als zij haar verlangen delen.

maandag, maart 07, 2005

witte woede

Het medische team vloeit voort
als een gebroken rood motiefje
Iedere ochtend
leeg neervallen
een kleine lichaamsoperatie
zwetend
de dag voor de witte lichten
de therapeuten van het verleden
maken tongen los
Een bodemloos vat
mensen blijven graven
deuren
openen en sluiten

dinsdag, maart 01, 2005

Sint Rita

Toen ze mij kwamen ophalen regende het. De hele dag al te veel water dat als trage bloedstromen naar beneden rolt.
Als het regent in Sint Rita wordt het gebouw een drijvend vlot. Overal loopt water door buizen, goten, riolen, keldertrappen, in ondergrondse nissen. De ratten worden meegespoeld. Het water raast en kolkt in alle holten. De muren worden mossig. Er gapen barsten en gaten. Opgekrulde varens rollen zich snokkend uit. Een eeuwige kilte bedekt de vloertegels met een dun laagje mist.
Doordraven doordraven tot je niet meer weet wie je bent.
De gevangenen, gecolloceerden, halve garens zitten roerloos ineengekrompen in hun vochtige cellen en wachten tot het onweer voorbij is. Hoe langer het duurt, hoe meer goede voornemens wegkwijnen en hoe meer de rillende gestalten vervreemd raken van de buitenwereld. De storm trekt alle hoop met zich mee door klappende deuren.

maandag, februari 21, 2005

Zweet

Gisterennacht was ze laat thuisgekomen. Ze was gaan dansen in de club aan de oever van de rivier. Toen ze door de voortuin liep merkte ze dat de rode dahlia’s ontbraken. Er waren vijf putten in de aarde.
's Middags vond ze haar moeder in het tuintje. “De Dieven! Godverdomme, die smerige straatjong. Niets is hier veilig. Alles komen ze halen om te verkopen."
In deze tijd van het jaar krioelden alle bloemen in de tuin van de bladluizen.
Maar bladluizen waren te klein voor haar moeder. Met -2 links en -3 rechts was de vlieg het kleinste insect dat ze kon onderscheiden.

Ooit was er een man gekomen om de bladluizen te verdelgen. Door de plantsoendienst verplicht. Het was een lachende Zweed die beweerde dat hij de hele tuin insectvrij zou kunnen maken met behulp van elektrische spanningsvelden.
Ze had hem de hele dag geobserveerd, in de weer met plus-en-min polen.
Een hele dag keek ze naar handen, ruggengraat, schouders, armen met een verlammend gevoel van zalige warmte.

Elektriciteit is eerlijk. De elektrische schok zo eerlijk en direct dat je schrikt maar er is geen pijn, enkel leegte.
En zo was hij klaargekomen. Ze had hem in haar mond genomen. Hij had verkrampt haar haren vastgegrepen en haar hoofd op en neer bewogen.
Het zaad liep uit haar mond. Hij had zelfs een beetje in haar neus gespoten, maar dat durfde ze niet te zeggen en ze liep de hele avond te pulken aan een harde korst sperma waar haar neushaartjes ingedroogd waren.

zondag, februari 20, 2005

Crash

Ze houdt van leven op de grens van het gevaar, risico's. Ze is de ideale Bond-girl. Onweerstaanbaar. Erotisch. (aanzwellende muziek)
Ze gooit haar witte jas in de auto, vouwt haar lange benen onder het stuur en start de motor. Even onthult de jeans met lage taille het bruine vel dat rond haar heupbeen trekt.
Ze rijdt naar huis, waar eten klaar staat en wijn. Daar zal ze een bad laten vollopen en haar vriendin verleiden, die zo goed kookt en kronkelt als een slang.
Ze voelt de stof van haar jeans trekken in haar kruis en schuift heen en weer in de autozetel. Ongetemd en geil. En zot van liefde. Zo zot dat het opeens pijn doet.
Alsof duizenden tatoeagenaalden op hetzelfde moment in haar lijf dringen tot op het bot en daar in dikke rode inkt hartjes prikken. Ze schreeuwt het uit en voelt haar lichaam verslappen. Door de tranen heen ziet ze de straatlantaarns blinken, vervormd en streperig. Het duurt maar een paar seconden. Ze hapt nog twee keer naar adem en knalt dan met een snelheid van 170 km/uur tegen een stilstaande vrachtwagen op. Haar haar wappert als dat van een wild dier.

dinsdag, februari 08, 2005

Emma

Hij brak los om 4 uur ’s nachts. Pikdonker. De maan was verstopt achter een dik pak wolken.
Nekhaar overeind en tanden bloot. Binnen, aan tafel lachten de mensen onwetend.

Ze vertelde over een liefdesgeschiedenis. Toen ze 20 was bedreef ze voor het eerst de liefde met een meisje. Verward, smoorverliefd. De grote liefde, blind en koppig.

Hij loopt recht op zijn prooi af, vindt zijn weg zonder aarzelen. Het dier uit doodskreten en probeerde nog te ontsnappen. Het fladdert zielig tot tegen de afsluiting.

Snel, licht. De mensen komen kijken en vinden veren overal op de grond en vel en een stuk vlees.

Het dier leeft. Het kruipt weg uit de straal van de zaklamp. Het ziet er verschrikkelijk uit.
De mensen roepen, proberen het dier op te jagen.
"We moeten het doden." zeggen ze. "Het is te zwaar gewond.Het lijdt."
"Nee, laten we de wonden verzorgen."
De mensen lopen, struikelen. Ze hebben veel gedronken. Wijn rood als bloed.
Doden met een schop?
We zullen zien morgen. De tanden hebben te diepe wonden gemaakt. Morgen doden en opeten.
"Het is te donker. Niet dronken doden. Ik kan het niet."

Terug binnen rillen de mensen. Koud. Handenwrijvend. Meer wijn.
Het was een studentenliefde, vertelt ze verder. Ze is weggegaan, terug naar haar dorp, ouderlijk huis. Getrouwd, kinderen gekregen. Het was een schok toen ze weg ging. De klok bleef 10 jaar stilstaan.
Al die lange jaren avontuurtjes met mannen, maar geen vrouw. Geen hart.
Na 10 jaar kwam de klap. Ze brak uit en het verdriet was een kracht. Vrouw na vrouw viel voor de staalblauwe ogen die glinsterden in het maanlicht. Ze jaagde nacht na nacht vol schaduwen op slaapkamermuren, zich vastbijtend in lakens en getatoeëerde schouders. Gehoorzaam aan een herinnering, een oud instinct. Het was nooit genoeg.

Het dier kan zich niet verweren wanneer de anderen het benaderen. De wonde bloedt niet, maar ze hebben honger. Ze pikken. Pikken wat los zit aan vlees en vel. Pikken het los. Verder en verder. Ze trekken vel en veren weg en eten. Kannibalen.

Terwijl het huis slaapt, brandt de wonde. Steeds groter en dieper en de mensen weten het niet.

Er is een tijd voor zachtheid. Pas jaren later, in de donkere ogen van een zuiderse vrouw, zag ze die liefde. Die liefde die zegt: "Ik zou liever doodgaan dan niet meer bij je zijn. Ik zorg voor jou. Altijd." In haar armen.

Het offer is de weg die afgelegd is.

We hadden het beest moeten doden in de donkere nacht met een schop en de moed van de dronkenschap. En dan vergeten. Het is nu licht en de zon priemt.
Kliefbijl. De wonde ettert.
"Niet opeten." zeggen de mensen.
3 slagen. De bijl is te bot. Snel, neem de schop.
Geschokt. De mensen kijken met open mond naar het stuiptrekkende dier.

De tijd tikt. Na die nacht zijn de mensen familie.
Niet door bloed, maar door hart.
Diep binnenin op de plek van de dood en geboorte en trouw.

En de liefde brandt als een wonde die niet heelt.

dinsdag, februari 01, 2005

De nacht

Ik plak tegen haar vel. Ik wil in haar. In haar kruipen en wenen.

vrijdag, januari 28, 2005

Lippenstift

Lippenstift. Ik draag nooit lippenstift. Vergeet jarenlang dat zoiets bestaat. Bij andere vrouwen ja. In handtassen en op tafels in badkamers. Hij vraagt of ik ook lippenstift wil gebruiken.
Ik sluip binnen in een drogisterij in de winkelstraat. De make-up rekken liggen er slordig bij. Door elkaar gehaald, uitgetest en teruggelegd. Ik wring me tussen de draaimolentjes met diadeems door en bekijk half tegen de muur gedrukt de kleuren in het lippenstift rek van Max Factor. Glitter gloss, beschermt tegen uitdrogen.

Kleine make-up artikelen maken me ongemakkelijk. Iedereen kijkt, al was het maar om zeker te zijn dat ik niets pik. Plots zijn er overal winkeldetectives die ter plekke blijven drentelen rond onbelangrijke artikelen. Ik moet me bedwingen om iets in m’n hand te houden. Knal rood, Nivea. Weg hier.

donderdag, januari 27, 2005

lijstje

Zij stapte buiten en voelde nog even aarzelend of ze de sleutel wel bij zich had.
In haar zak voelde ze het lijstje.

Het lijstje angst

- angst om het leven op te vullen
- angst voor pijn
- angst voor de dood (verlammend) en ook angst om te bestaan en niets te betekenen
- angst om te falen
- angst om anderen te ontgoochelen (sterk)
- angst voor het niets
- angst om niet geaccepteerd te worden
- angst om saai te zijn

woensdag, januari 26, 2005

Signaal

Meisjes in topjes schminken hun ogen weg met lange horizontale lijnen. Spiegels waarin je leest 'geen contact'. Plat signaal boven witte t-shirts en afgebleekte jeans.
Zij die durven zuigen de prachtige nacht naar binnen alsof ze zwarte gaten zijn. En niemand haalt het in zijn hoofd iets terug te geven voor dit mirakel. Het uitschreeuwen kan alleen in groep, ogen gericht op een schouder of een oor. Een beetje oncomfortabel, maar risicoloos en ongevaarlijk.
Temidden van deze heksenketel en aanstellerij. Van mensen die zich niet meer herinneren wat het is dat ze zoeken, wil ik met jou praten. Zinnen die diep in het vlees snijden en die je hart verscheuren. En zalvende woorden die zacht binnendrijven tot tegen de achterkant van je schedel. Ik neem mij voor mijn angst achterwege te laten.

dinsdag, januari 25, 2005

Google woorden

wraak nemen
matras traag rubber
haar mooie tenen
halsspieren ontspannen
wat zijn computerconfiguraties
binnenkant dijbeen
van velde bloedend achterhoofd
beweeg je lijf
mooie heupen
breek mijn pols
onderwater klaarkomen
warmte krimp geheugen
dijen homo
verhaal hond spiegelpaleis
dijen spreiden
je stinkt

maandag, januari 24, 2005

Trein: Wagon 1

De wagon is vuil. Plakkerige handpalmen. Priemende blikken overal. "Als ik jou hard raak, staar je minder terug", denken de stenen gezichten. Tanden knarsen als de trein vertrekt. Schokkerig. Ruggen deinen mee als haaievinnen. Het wordt avond, maar wij zijn onderweg. Altijd onderweg.

De overbuurman zit in de duisternis in zijn coupé. Hij koestert andermans woorden alsof het de zijne zijn. Alsof hij de aanzet en het middelpunt geweest is van alle menselijke uitingen rondom hem. Met zijn ideeën, zijn tolerantie, zijn verstikkende jaloezie en geobsedeerde boertigheid. Als een gigantisch amfibie zit hij te daar te wachten op zijn vuilnisbelt. Af en toe produceert hij vreemde geluiden en maakt aantekeningen. Niemand weet waarom.

Waarop wachten de mensen in deze wagon? Beterschap? Evenwicht? De kracht om op te staan en te veranderen? Ik denk dat dit een eindpunt is waar de trein stopt. Iedereen blijft zitten maar er komt geen halte meer. Wat je kan doen is moeizaam terugkruipen door de tunnels tot je bij een wissel komt. En zorg godverdomme dat de anderen je niet volgen, aan je slippen hangen. Laat ze achter.

Vluchten dan. Naar een ander land. Weg van de dagelijkse stroom mensen. Elke dag opnieuw. Mensen die je vrienden noemt. Je vraagt je af wat ze voor je betekenen. Uiteindelijk kom je tot de conclusie dat je iedereen die je kent gemakkelijk kan missen en vertrek je, ver weg.
Je nodigt mensen uit om je te komen opzoeken, maar niemand komt. Er is eenzaamheid, maar die is draaglijker dan je vroegere achterhaalde sociale leven. Je weet dat je ooit zal moeten terugkeren.

Mensen zijn hard, keihard. We proberen onze hardheid allemaal wat te verstoppen onder een laagje gevoeligheid, compassie en angst. Eigenlijk vellen we elke dag wrede oordelen. Want wie wil nu zijn leven geven voor een ander?

zaterdag, januari 22, 2005

Poort

Ik ben weer met mijn dwaze kop tegen de muur gelopen. Op een moment van betovering denk je dat alles mogelijk is. Er is vuurwerk, zwaar vuurwerk en een kans om je geest te openen.
Er is angst. Geen angst voor oude valstrikken, maar een huiveringwekkende schrik voor het achterlaten van grenzen.
Je denkt dat je op de juiste weg bent. Af en toe slaat een vlaag van verbijstering je van de baan. Stemmen vervormen en woorden bedreigen je, maar je geeft niet op.
Voor je zie je een uitdaging, die je hoofd helemaal binnenste buiten keert. En belangrijker: een gevoel van contact, een sterk signaal dat recht door je vitale organen gaat.

Zij zegt dat ze zich amper iets herinnert, dat ze dronken was. Ze poeiert de verantwoordelijkheid voor enige emotionele schade snel van zich af. Als ik haar vertel wat ze tegen me zei lacht ze ongelovig. Ik voel een dikke muur tussen haar en ik.
Ik dacht aan een nieuwe dimensie, het neerlaten van alle verdediging. Een nieuwe manier om te praten, scherp direct zonder belemmeringen schaamte.
Zij denkt dat ik geïnteresseerd ben in seks. Terwijl seks juist alles moeilijker maakt, afremt, opsluit.

Misschien was het ook niet meer.
Wat ik zie bestaat niet.
Alsof er een poort naar een andere wereld openstond toen.

vrijdag, januari 21, 2005

Cirque

De duisternis valt en er worden vuurtjes gemaakt in metalen tonnen. We drinken teveel omdat we dat willen. Alles verbrokkelt onder mijn woorden. Zij laat mij rondwandelen in haar geest.
Ik drink halve glazen wijn leeg probeer het vuur te doven. Ik zwalp overal heen, lachend losgebroken. Ik ben mezelf ik ben iedereen tegelijk half blind door drank voor mij uit lallend tegen mensen die ik tegenkom.

Mijn huid brandt. Ik loop rond de circustent, strompelend, me vastgrijpend aan dikke strakgespannen touwen. Ik roep hard tegen de gezichten: ”Waarom?” Iemand grijpt m’n schouder vast en trekt me achteruit. Ik schreeuw tegen haar en ze kijkt verschrikt maar niet echt geraakt. Van ver weg zegt ze: “Je zoekt nog, maar er is geen antwoord. Sommige dingen kan je niet verklaren." Ik haat haar. Harde ogen. Ik haat iedereen met zo'n geweldige overtuiging dat de grond zou moeten opensplijten.
Ik denk dat ik op avontuur uit ben. Glorieus, roekeloos, maar ik ben de enige die de situatie niet onder controle heeft. Zo is het en zo is het altijd geweest. Ik verzwijg wat ik wel zou moeten zeggen.
Een uur later ben ik zo moe en uitgeput dat mijn gesmolten gedachten mijn tong af rollen als siroop. Ik leeg mijn hoofd in haar schoot. Ik vertel haar alles, fluisterend zonder woorden. Ik verklaar haar mijn liefde.
Ik hoop dat ze te dronken is om iets te onthouden.


Ik word wakker, mijn hoofd een steen. Alles is voorbij. De betovering is weg en ik denk wat heb ik me weer laten beetnemen. De zwakste, een blinde schakel.
Ik bezwijk onder elk gewicht. Ik kan niet dragen. Mijn ruggengraat een spons die wortelt in mijn bekken en uitzet in mijn hoofd. Leeghoofd vol obsessies en kortsluitingen. Ik denk dat ik iets kan verbergen maar mijn vel is transparant, mijn schedel is verteerd door slechte gedachten. Niet getreurd, de mensen houden van vermaak. Een clown in hun midden.


II

Later. Ooit. Meer. Ze heeft een kant die ze bijna altijd verstopt. Die zich tegen mij aandrukt in de gang ’s nachts, als ik afscheid wil nemen. De kant die zegt wat ik wil horen.
Dan zucht ze en houdt ze mij in haar armen.
Dat is het. Verdriet.

III

We lachen in de zetel. Ze schuift dichter zodat ik haar voel en we lachen meer. Om de dwaze zatte nachten waarvan we ons de helft niet herinneren. Altijd dat altijd gemis.
Er was een avond in het donker met vuur in de weien en onze tent klein naast de grote circustent waar een orkest bleef doorspelen tot ’s morgens.

woensdag, januari 12, 2005

Ik/jij

Op haar eenentwintigste verjaardag kreeg ze van haar moeder een briefje met het adres van een psychiater. De schriftelijke toelating om de rotzooi in haar hoofd en lichaam op te kuisen. Het liefst zo vlug mogelijk en op eigen verantwoordelijkheid.
Ze zit nu in het buitenland, om alles uit te praten. Ze zit alleen te wachten in een hotelkamer op de man die haar verkracht heeft. Iedereen verklaart haar gek, maar het is het moedigste wat ze ooit gedaan heeft.

# Ik:

We staan te wachten achter de bar. De muziek drilt verder en verder weg.
Ze vraagt: "Heb je een vuurtje?"
"Kus me." antwoord ik, verdoofd en eenzaam. Omdat ze nooit zegt wat ze zeggen wil, omdat ik vreselijke dingen hoor van haar vroegere mannen, die ze mij altijd verzwijgt. Iedereen die haar kent zou wel met haar willen vrijen, maar ze doet alsof dat haar kouwe kleren niet raakt. Ze buigt zich naar me toe tot haar lippen op een paar millimeter na de mijne raken en wringt een pakje lucifers uit mijn rechterhand.
Bitch.
Ik volg haar ogen die nerveus opzij schieten. Aan de bar schuifelt hij heen en weer.en ik denk:
Hij wordt kaal. Zo kaal als een hoorn. Ik zie zijn rug, gebogen in het licht. Hij gaat waar zij gaat. Als een kromme donkere schaduw volgt hij haar en snijdt de woorden af. Soms rotzooit hij tussen haar benen en op die dagen zijn haar ogen troebel en naar de grond gericht. Er waren twee zussen, uit één ei. Met de onverbiddelijke hardheid van een predikant velde hij een oordeel. Tussen goed en kwaad. Hij koos de kleinste, de zwakste.
Ik zie het allemaal nu en ze weet het. Ze draait zich van me weg en zegt niets meer. Bedient de klanten, zet een whisky voor zijn neus.

"Ik zie hem staan" zeg ik. Ze kijkt me niet aan. "Elke dag wordt hij lelijker en doet hij je meer pijn. Maar toch trek je hem achter je aan als een hond aan een leiband." Ze huilt. Ik probeer haar te troosten maar ze rukt zich los en ik word kwaad, machteloos. "Wat zou je hem willen vragen? Waarom jij? Zal ik het hem vragen? Zal ik hem opensnijden met een vleesmes? Zal ik hem geven wat hij verdient? En je moeder de medeplichtige huilend bij zijn graf één duwtje en ze ligt erbij, onder de zoden." Ze zakt langzaam op de grond en duwt haar vuisten in haar oren. Ze is ontroostbaar en elke liefdesverklaring aan haar adres is een zweepslag. Haar huid is oud van te weinig kindertijd. Borsten klein als van een 13-jarige. Ik smeek "laat het me proberen. Ik geef je alles wat ik heb ik bescherm je hou hem van je weg ik zal de pijn dragen alle pijn."
Ze kijkt me aan. Ogen blauw en helder halsspieren trekken nerveus. Bijna waanzin.
Een gevoel van misselijkheid komt in me op en barstende hoofdpijn.
"Ok" zegt ze "Als je me bedriegt maak ik je kapot." Ze mikt haar sigarettenpeuk in het whiskyglas.


# Jij:

Ik kijk haar aan. Denkt ze dat ze tegen hem op kan?
Ze weet niet wat haar te wachten staat. Ze zal lijden. Vroege morgen als we de bar verlaten. Hij loopt achter ons aan, maar zij doet alsof hij er niet is. Zelfverzekerd. Ze denkt dat ze de eerste nobele ridder is die mij probeert te schaken.

Als we binnen zijn en de deur achter ons gesloten is, grijpt hij haar vast bij haar nekharen en sleurt haar naar de slaapkamer. Ik volg hem aarzelend. Hij trekt ruw haar kleren uit. Dan haalt hij een touw tevoorschijn, waarmee hij haar polsen vastsjort. Het touw maakt hij vast aan een haak in het plafond, zodat ze verplicht wordt op haar knieën op het bed te blijven zitten. Hij houdt haar vast bij haar dijen zodat ze enkel haar hoofd wat kan bewegen. Ik kleed me traag uit en voel haar blik op me branden. Ze kijkt me aan alsof ik haar ga doden. Ik glimlach, ga voor haar zitten en streel haar zachte borsten en heupen. Ik hoor hem achter me hijgen als ik haar kus. Ik vinger haar er ze kan haar heupen niet stil houden. Zijn erectie duwt tegen haar billen. Hij schuift haar knieën verder uit elkaar terwijl ik haar lik en onder haar ga liggen. Hij smeert zijn penis in met glijmiddel, trekt dan plots haar heupen achteruit en dringt haar aars binnen. Hij gaat tekeer als en gek en zij buigt zich voorover als een hongerig dier en bijt in mijn tepels en vingert me en hoe meer haar vingers bewegen hoe uitzinniger ik word en daarna kussen we -mijn mond vol kut en bloed. Ze kreunt van pijn als onze lippen raken en ik voel haar wegglijden in bewusteloosheid.
Hij is razend en sleurt me de kamer uit. Hij blijft nog twee uur met haar in de kamer en ik weet dat hij daar dingen doet die ze zich beter niet herinnert.


# Ik:

Ik word wakker op een bank naast blok H. Het is nog donker en stil maar de dag begint aan te breken. Mijn hoofd dreunt en ik voel me misselijk en koud. Als ik naar de deur loop waar alles stil is, ruik ik bloed en mijn lippen zijn als rubber.
Alles doet pijn en ik herinner me niet meer hoe ik hier beland ben. Ik besluit geen medicatie meer te nemen. Ze kunnen op hun hoofd staan maar ik doe het niet.
Tot ze onder me ademt als een beest en rauwe kreten uitstoot.
Paarse geplette aders onder mijn vel. Veel vel verloren in korsten van steenpuin en polsen verbrand. En binnenin een witte ziel.

dinsdag, januari 11, 2005

Spiegelpaleis

Het Spiegelpaleis is zowat de bekendste hardhouse keet in de wijde omgeving. Ik ben er vaak voorbij gereden, net over de viaduct naast het kanaal. Het Spiegelpaleis is enorm. Het verheft zich als een verlichte arena over de lege zandvlakte naast de expresweg. Het reusachtige gebouw wordt overkoepeld door een spiegeldak dat zich strak rond twee middenpijlers spant.

De zandvlakte is nu een krioelende chaos van koplampen, draaiende motoren en geschreeuw. In de zwarte wanden zijn duizenden spiegeldeuren voorzien, waar security mannen in zwarte vesten door mondmicrofoons signalementen van mogelijke herrieschoppers doorseinen naar binnen.
Ik loop op een spiegeldeur toe en word tegen de muur gedrukt en gefouilleerd.
Dan breek ik door een muur van geluid naar binnen in een donkere tunnel vol mensenlichamen.

Overal hangt een dierlijke zweetgeur die binnendringt en ophitst.
Ik kom in een enorme ruimte terecht waarin beats uitrollen als golven en de menigte hysterisch en dwangmatig beweegt. In de grauwblauwe rookruimte flitsen kale schedels naast door agressie verwrongen gezichten. Huid spant zich onder trillende spieren en ik kan niet thuisbrengen welk lichaamsdeel bij welk gezicht hoort. Ik worstel hijgend door de stuiptrekkende vacuüm gezogen lichamen en probeer in te ademen.
De gezichten huilen hard met bloeddoorlopen ogen en schreeuwen steeds luider.

Plots worden de beats een gekrijs en vanuit het dak schieten lichtstralen de arena binnen. Vijfhonderd dakkleppen openen zich gelijktijdig in 30 seconden tijd en boren diepe gaten in de dansvloer.

Van op de loopbruggen bij de dakspanten kijken security-leden toe hoe de menigte wegvlucht in de keldergangen. Ik hap naar frisse lucht en wordt wild meegesleurd naar beneden, glijdend langs de glibberige fosforescerende muren. Een hand grijpt naar mijn gezicht en verdwijnt bloedend terug in de massa.

Ik struikel en word tegen de grond gesmakt. Ik lig met m'n hoofd in een plas urine en kokhals. Ik braak over modderige plateauzolen. Als even opkijk zie ik dat ze toebehoren aan een vrouwenlichaam in minirok. Gezicht grauwgrijs wijdopen ogen en wit schuim op de lippen. Het blijft onbeweeglijk liggen onder de trappende schoenen. Arm ligt uitgestrekt en gekneusd in het gangpad en waar ringen zaten aan haar vingers zijn nu bloederige wonden.

Ik word wakker in een luchtkoker. Het is middag maar het schemert hier altijd. Grijs.

zondag, januari 09, 2005

Hij/zij

Ik kan op niemand vertrouwen.
En hij, hij wordt steeds nukkiger en kan niets geven.
Over veel moet je niet praten, vindt hij. Het belangrijkste is dat je iets presteert en dat je snel werkt zonder tijdverlies.

Ik kan dat niet. Eerste dacht ik dat het traagheid, verstrooidheid, gebrek aan concentratie en doorzettingsvermogen waren die maakten dat ik nooit boven de middelmaat uitsteeg, maar het lijstje van gebreken is eindeloos. Het is precies dat lijstje dat je moet afwerken om iets op tafel te kunnen leggen dat de moeite is.

Ik zit thuis. Hij loopt de muren op. Als er iets mis gaat dan is dat mijn schuld.
Ik vraag hem niets ook geen geld maar toch moet ik zorgen dat er eten op tafel staat, dat de was gedaan is en dat het huis opgeruimd is.
Ik heb maar één functie in dit huis vol rotzooi en stof: ik ben de moederlijke kuisvrouw, de steun en toeverlaat in bange dagen. Een geduldig oor dat luistert naar gezeik over computerconfiguraties. Een warme vorm in bed (geen geluid maken!), occasioneel de benen spreiden.
We gaan niet op reis.

Avond. Hij zegt dat hij het allemaal anders ziet. En hij twijfelt. Er zijn geen dromen meer. Wij kijken naar elkaars leven en zien niet langer door de grauwe realiteit. We kunnen geen maat houden; Arrogant en krankzinnig. Hij is veranderd.
Ik zie hem pas echt wanneer hij begint te praten. Over verleiding en lichamelijke sensaties die hij elders zoekt. Niet in mijn overvette trage afgestorven vlees.
De verrassende inzichten waar hij naar verlangt, niet in mijn verdorven gekooide geestvol donkere gedachten en tweesnijdende zwaarden. Ik verlang naar hem omdat hij al zo lang bij me weg is. Maar als zijn geest uithuizig is pleeg ik ontucht naast hem in bed. Ik laat hem geloven dat ik hem begeer, maar als ik hem in m'n armen heb, merk ik dat het niet hem is die ik liefheb, maar mezelf.
Ik praat met hem en wordt er ziek van. Maar hij sluit me steeds verder weg in een kooi waar ik alleen niet uit kan.

Ik geef me aan hem over als aan een moeder; Hij straft me daarvoor, noemt me zwak. Ik word de moeder de slaaf en hij, de brave huisvader onthoudt mij van liefde en genot.

Wat is zijn bedoeling? Hij staat mijlenver, tegenover mij, met een mes in z'n hand. Het mes is altijd lang genoeg om mij te raken.
Ik vervloek hem en wil wraak nemen. Ik wil uit zijn leven verdwijnen, hem achterlaten in leegte, zodat hij op zich moet nemen wat ik altijd al voor hem deed.
Dan heeft hij uiteindelijk zijn vrijheid, dan kan hij twee weken rondlopen in vuile was en een stinkende kamer, beschimmeld brood eten en alles wat bij een vrijgezellenleven hoort. Dan heeft hij alles voor zichzelf en vraagt niemand hem waarom.

Hij heeft een ander.


dinsdag, januari 04, 2005

Tekst bij beelden woestijn olieboring

Diep gloeiende put van liefde. Klein als een haarvat maar oneindig als een doolhof. Wij zoeken jaren naar de juiste toon terwijl de wereld steeds meer gevuld raakt met leugens, futiliteiten, lege hulzen.

Op de vlakte waait het zand beetje bij beetje de krakende lege schelpen onder. Er klinkt een raspig geritsel als de schelpen bezwijken onder het gewicht van het zand en onzichtbaar in duizenden stukjes uit elkaar barsten.

Kilometers verder likt het zand met gerafelde tongen aan de betonnen muren van de stad. De burgers die in de uiterste wolkenkrabbers wonen klagen dat ze er niet van kunnen slapen.
Af en toe wordt 's morgens een bewoner dood in bed gevonden, mondholte tot aan de lippen gevuld met zand. Defecte airconditioning? Niemand poogt deze aggresieve aanvallen van de woestijn te verklaren.

Elk lichaam is een docking station. En wat vergeten de mensen? Dat je nooit ongewapend kan uitgaan. En zwaarden van papier zijn waardeloos. Er moet gewroet worden in de aarde naar echt koper of brons. En de zonnige, onbezorgde mens laat zijn geest steeds opnieuw los en vult gulzig alle gaten van zijn lichaam op met impulsieve verlangens. En terwijl hij daar zo zit te soezen in zijn eigen uitgekwijlde lege woorden en veel te veel te veel zegt, wordt zijn geest gemarteld en gebruikt door de schimmen der aarde.
Een lichaam als een opgesmukte truck, een vuilnisbelt. Leeg. Het praat, maar de geest zwerft uitzinnig over de vlakte.

vrijdag, december 31, 2004

Tong is vuur

Bovenop een lichaam, alsof ik bijna zweef. Gloeiend.
Zacht maar toch zorgen beenderen voor de spanning. Er is geen zwaartekracht meer, enkel de druk die wij zelf uitoefenen. Geen kraakbeen om alles op z'n plaats te houden, geen vet om schokken te dempen. Voor het eerst voel ik wat ik altijd al wilde voelen.

Tongue. Tong is vuur. Zoals een draak braak ik woorden uit. Ik raak het hart, het centrum waar de vlammen likken. Tong. Brandend vuur verspreid zich over het lichaam. Tong is verlangen naar liefde en vertellen in het donker.

donderdag, december 30, 2004

Dier

Wat doen we vanavond en morgen en al die rottige weekends?
Ga uit. De eenzamen zoeken hun weg in het doolhof van de stad.

Rondlopen met het gevoel dat je je altijd en overal moet handhaven. Uitstralen voor twee. Niemand doet dat toch, zo leven. Verkoop je dan nog liever.

Ik loop met haar mee naar een andere bar. Ze vraagt het. En ik voel me goed, gewoon omdat ik met haar over straat loop. Er is niets meer en ik heb niets van haar nodig alleen dat ze er is.

Even denk ik dat het wel in orde zal komen en heb ik hoop.

Maar dan begint ze te kloten. Ze wil altijd opnieuw alles kapot maken. Voor elke toevalligheid of speling van het lot probeert ze al op voorhand een uitweg te verzinnen.

Alles wat ook maar een beetje aangenaam kan zijn weigert ze. “Ze heeft iemand nodig die voor haar door het vuur wil gaan,” zegt haar broer. Ik denk hard en probeer een tegenzet te verzinnen, maar er is geen enkele manier om haar ook maar iets te laten zien. Ze weet dat ik haar wil en dat is genoeg om me meer te verachten dan wie dan ook.

We zijn mensen met gevoelens en al wat ik zie is pijn.

De nacht is ten einde en ik ben gebroken. Het kan mij allemaal niet meer schelen. Ik stop ermee. Ik laat het menselijke achterwege.

“Waar stop je mee?” Haar mondhoeken krullen op in een donkere grijns. Ze eet verder. Ik heb haar aandacht. Als ik terugkrabbel, als ze me genoeg vernederd heeft, dan kijkt ze. We zijn alleen en dit is de confrontatie.

Ik grijp naar de fles whisky op tafel. Als ze me kwaad wil, dan zal ze dat krijgen. Voor ze ook maar iets vermoedt, sleur ik de dop eraf en gooi ik de inhoud in haar gezicht.

Ze springt op, kletsnat, woedend.

De indringende alcoholgeur verspreidt zich door de keuken. “Je stinkt,” zeg ik droog.

Dan komt ze op me af en moet ik wegduiken om haar vuisten te ontwijken. “Jij, smerige kut.” sist ze. “Ik zal je leren”.

Het wordt net licht buiten. De eerste auto’s vertrekken en zij heeft me in een houdgreep, draait mijn pols om tot ik het uitschreeuw van pijn. “Ik haat je,” roep ik. Ze ramt haar knieën in mijn zij en ik klap dubbel op de grond, happend naar adem. Ze gooit zich op me en duwt haar gezicht en natte haar in m’n mond. Ik krijg geen lucht. De whisky brandt in m’n keel en m’n ogen. Ik grijp me vast aan haar dijen en ze sjort me mee naar de badkamer. Ze draait kranen open en begint zichzelf de kleren van het lijf te sleuren, terwijl ze me met één hand bij m’n haar grijpt en van zich af duwt. Ze is sterk genoeg om me tot onder de kraan te duwen. IJskoud water beukt in op m’n schedel.

“Rotte teef.” hijgt ze in m’n oor. “Ik had het kunnen weten.Waarom ben ik ook met je meegegaan…”

“Hierom,” antwoord ik snel en bijt in haar oor zo hard ik kan.

Ze probeert haar hoofd af te wenden en ik zie haar borsten uit haar hemdje puilen. Mooi, bruin. Ze heeft kippenvel en dikke, keiharde tepels.

Ik steek m’n hand uit om ze aan te raken, maar ze grijpt me opnieuw bij m’n haar vast en duwt me verder naar voor, het bad in. Haar hele lichaam beukt plots tegen me. Ik verlies m’n evenwicht en val voorover op m’n buik. M’n hoofd knarst tegen de bodem van het bad. Ze zit op me en klemt haar sterke dijen rond de mijne. Ik voel haar tenen in m’n knieholten boren. Ik kan geen kant meer uit. Ze draait de kranen nog verder open. Ik voel het warme water langzaam z’n weg zoeken onder m’n lichaam. Ze gaat me verdrinken.

“Laat maar eens zien wat je kunt.” sist ze. “En haast je.”

Ze duwt haar vingers tussen mijn benen binnen en ik voel het water in m’n kut dringen. De warmte verspreidt zich kloppend. Telkens zij haar vingers dieper in me probeert te rammen duwt ze m’n hoofd dieper in het water. Ik wil me verzetten, maar hoe meer ik me tegen haar keer, hoe langer dit zal duren. Ik hap naar adem. Ze wil de baas zijn. Ik zal ze laten denken dat ze me gebroken heeft. Ze ramt nog steeds ritmisch, traag en diep. Ze duwt haar schaambeen tegen mijn onderrug.

Ik probeer me te ontspannen en te concentreren op het warme bonzen van het bloed en de vingers in m’n kut. Maar het waterpeil stijgt en ik wordt steeds langer onderwater geduwd.

Hoe meer ik naar adem snak hoe meer zij er van lijkt te genieten. Haar borsten wiebelen op en neer bij elke beweging, ze lacht me uit en probeert 3 vingers in m’n kut te duwen. Te kort, slechte hoek. Hoe kan ik zo klaarkomen? Ze geeft me geen eerlijke kans.

Ik word opnieuw kwaad en herinner me hoe ze me afsnauwde vannacht, de trut. Ik beweeg harder onder haar en schuur mijn billen tegen haar kortgeschoren schaamhaar.

Ze begint te ontspannen. Ik krijg meer lucht. Ze hijgt nu en beweegt alsmaar sneller. Ik kan haar bijna niet volgen. Maar mijn arm is vrij en in één slag kan ik haar uit evenwicht brengen. Ik sla haar recht in het gezicht. Haar handen grijpen meteen naar haar wang. Ze schrikt zo erg dat ze vergeet mijn hoofd en knieën onder controle te houden.

Ik duw me recht en gooi haar op de badkamervloer. Ze kijkt me nog steeds verbaasd aan, terwijl ik me over haar buig. “Rotwijf, wil je me vermoorden misschien?” roep ik. “Ach, je hebt niet eens genoeg gevoel in je lijf om een moord te begaan.”

“Amateur!” roept ze terug, bijna onmiddellijk. Haar ogen vonken, maar de slag heeft haar verzwakt. Ik grijp haar enkels vast en sleep haar naar de woonkamer. Zo ver mogelijk over de ruwe kokosmat tot bij de trap.

Ik trek m’n hemd uit en bindt er haar handen mee samen boven haar hoofd, rond de vierde trapspijl.

Ze sluit haar ogen en beweegt niet, spaart haar krachten voor een volgende aanval.

Ik loop snel naar de keuken en haal de whisky. Snel giet ik een slok in haar keelgat. Dat helpt. Ze proest het uit en realiseert zich dan pas echt in welke situatie ze belandt is. Hoe meer ze duwt en trekt hoe vaster ze haar boeien aantrekt, daar heb ik voor gezorgd. Ik zie hoe ze probeert om snel een plan te bedenken, een list waardoor ik haar los zou maken. Dan zou ze me vernederen tot ik alles zou geven om haar te doen ophouden.

Maar ik geef niet toe, hoe ze me ook smeekt. Ik raak haar niet aan, trek alleen haar kleren verder uit en zet de verwarming wat hoger. Ik drink whisky. Haar woede bouwt zich op. Haar armen worden zwaar en haar geduld is op. Maar ze weet dat dit niet het einde is en voor het eerst zie ik dat haar blik onzeker wordt.

Ze heeft mooie heupen, alles is rond en bruin en zacht. Als ze haar armen beweegt, zie ik de spieren in haar bovenarmen bewegen onder haar huid. Ik bekijk haar en geniet. Ze richt zich op en begint te schoppen. Trots en kwaad en vooral te koppig om toe te geven dat ze nu verloren is. Ik stap op haar toe en duw met mijn lichaam het hare tegen de muur. Ze spartelt tegen en doet alsof ze walgt van mijn lijf. Onze borsten raken en een rilling trekt door mijn lijf. Ze hijgt in mijn nek, maar ze bijt niet. Ik kneed haar borsten in m’n handen. Ze zijn vol en ik weet dat ik haar opgeil. Ze wordt natter en duwt haar heupen tegen de mijne.

“Wat wil je van me?” fluister ik in haar oor. “Meer whisky?” Ze schudt haar hoofd van nee, maar ik heb de fles al vast en neem een flinke slok. Dan neem ik haar gezicht in m’n handen en kus ik haar. Ze wil m’n tong maar ik duw de whisky in haar mond. Ze slikt niet, laat de vloeistof lopen langs haar hals en borsten. Traag, met het puntje van mijn tong, lik ik alle whisky op, tussen haar borsten, in het kuiltje van haar sleutelbeen en dan lager. Langs haar heupbeen, dijen, knieën, onderbeen en één voor één haar tenen. Dan terug omhoog, langs de binnenkant van haar dijbeen. Ze trilt. Ze trilt van emotie en ik die dacht dat ze niets kon voelen. Ik lik zo traag mogelijk en ver weg van waar ze me wil. Dan kus ik haar en ze kust wild terug. Ik heb geen schrik meer dat ze in mijn tong zal bijten. Mijn vinger gaat bij haar binnen en ze zucht. Ik probeer haar clit zo weinig mogelijk aan te raken en zoek haar g-spot. Ze is zo geil dat ze enkel nog wil bewegen, als een dier. Haar spieren ontspannen en trekken weer samen en haar huid gloeit. Ze heeft moeite om recht te blijven staan.

“Wil je me?” fluister ik in haar nek. “Ja.” zegt ze “Ja ik wil je, ga door, niet stoppen.”

Maar ik stop toch en maak haar los en duw haar naar de slaapkamer, op het bed.
Ik masseer haar polsen en ze trekt me op haar en slaat haar armen rond me.
Ik beweeg zachtjes mijn heupbeen tegen haar natte clitoris. Ze is zo geil dat ze haar bewegingen amper kan controleren. Ik duw haar heupen in de matras om haar orgasme zo lang mogelijk uit te stellen, maar ze komt bijna onmiddellijk. Hard en lang. We blijven bewegen en telkens ik mijn heup en dijbeen tussen haar benen duw, kreunt ze.

Haar dijbeen duwt nu tegen mijn clit en ze wringt een hand tussen onze heupen om me te helpen. Ik ben al even nat als zij. Ik voel haar vingers over mijn kut glijden en ik weet dat het hoogtepunt nadert. Een paar diepe bewegingen en ik sidder en krimp ineen boven op haar. Het komt zo hard en hevig. Ze streelt mijn rug en laat me op haar liggen, heel stil.

“Dier.” zegt ze in mijn haar. “Jij,” antwoord ik.”jij bent mijn dier.”

woensdag, december 29, 2004

Verleden

Ik heb van een heleboel mensen echt gehouden. Maar ik heb het hen nooit gezegd. Het lag op mijn lippen de hele tijd soms jaren, maar ik slikte het in als het moment er was. Misschien was mijn leven anders een hopeloos slagveld geworden. Ik word gemakkelijk verliefd.

Ik werd verliefd op hen die het minst hun geheimen prijs wilden gegeven. Ze hielden stand. Ik kwam dicht heel dicht. Ik rook hun parfum, hun haar en werd dronken. De meesten waren vrouwen die naar me zwaaiden vanop de andere oever. Ik ben nochtans een goeie zwemmer, maar ik stond daar op de kant en ben nooit gesprongen.

Ik was bang van mezelf. Ik had steeds een keffer bij, zo'n volgzaam mormel van een valse onedele hondensoort dat iedereen op afstand hield. Dat bleek uiteindelijk ook niet effectief. De keffer viel de verkeerde personen aan. Personen uit mijn schatkist die ik opblonk en met zachtheid omringde maar die ik niet begeerde tussen de lakens.
Hij geloofde niet dat ik op blondjes viel. Ik bracht de keffer in verwarring door hem toe te laten me binnen te dringen elke week. Hij zei dat hij ervaring had. We praatten er nooit over maar de eerste keer reet hij me aan stukken. Wat er tussen ons gebeurde ging altijd meer om kwantiteit dan kwaliteit.
Hij werd lui en ik sleepte hem achter me aan, terwijl ik probeerde m'n gevoelens voor hem uit te zoeken. Ik had hem reeds geslagen met alle mogelijke wapens van verraad en ontrouw. Ik had me verlaagd tot teef van een domme jachthond, kussen gestolen onder zijn ogen en hem van liefde onthouden. En dan, in al mijn slechtheid, sneed ik de leiband door. Ik liet hem achter op de grond in een dwaas café met een half pakje sigaretten en haastte me uit zijn leven. Ik heb gehoord dat hij nu gelukkig is. Hij is bij de rijkswacht gegaan.

Uitvergroot in lichtgevoeligheid zie ik de obsessies. Ik maakte koninginnen van hen. Groot in hun gevoelens en zwaar in hun beslissingen. Maar in dit gevaarlijk moeras van sluimerende lust wordt elke koningin vroeg of laat verraden. Ik leerde al hun geheimen kennen door anderen te ondervragen. Ik kocht hun geliefden om en hoorde hun tragische geschiedenissen.

Er was er één die speciaal was. Die zo sterk was dat ze me bijna vernietigde als ze haar mond open deed. Misschien kwam dat door haar lippen. Voor haar was ik zo doorzichtig als een glas bronwater. Ze toonde zich gevleid. Ik herinner me hoe koud en wild het water was en dat ik bijna verdronk. Ben ik dan toch gesprongen?
Ik hield van haar en ze wist het, maar of het haar ook maar iets kon schelen, dat zei ze nooit.
Ik deed het meest haatvolle dat ik kon bedenken. Ze voelde zich intens gelukkig omdat in haar barre liefdesleven een mooie zachte man verschenen was. Ze straalde.
Ik gaf hen zelfs de tijd niet om de liefde te bedrijven. Ik nam hem van haar af.
Ze heeft het me nooit vergeven. Ze stortte zich bijna hals over kop in een huwelijk.

Ik zag haar later op de bus. Terwijl we moeizaam converseerden krijste ik in stilte al mijn zenuwen bijeen. Wat het huwelijk betreft: ze bedacht zich op het allerlaatste moment. Uit verdriet doe je vreemde dingen, maar ik wist wel dat ze zich niet zou laten kooien voor minder.
Verraad ik ken er alles van.

Uiteindelijk werd ik gestraft voor al m'n wandaden. De mooie zachte man die ik gevangen had besloot bij me te blijven. Passionele liefde overviel ons en we werden gek van angst.
Hij kon niet meer eten en ik onthulde al mijn geheimen in de hoop zijn vertrouwen te winnen. Soms moesten we elkaar slaan om het roepen te stoppen en 's morgens waren we uitgeput en leeg. Ik verloor mezelf ergens onderweg in een andere stad, maar ik denk niet dat dat toen nog uitmaakte, want hij had gekozen hij had beslist dat hij niet als een waanzinnige wilde leven en hij gooide water op het vuur en trapte de nasmeulende kolen uit in mijn hart. Terwijl zijn moeder de boel opkuiste, maakte hij rechtsomkeer naar een vorige vlam. Die rijk was maar hem nooit in haar armen nam en streelde.

Ik dacht dat ik het niet te boven zou komen. Alles was gebroken. Het duurde jaren voor ik weer rechtop kon lopen. En toen bleek dat niet alles op de juiste manier aan elkaar gegroeid was. Er was iets veranderd. Ik zou durven beweren dat ik in het herstelproces enkele mutaties ondergaan had...

Dit is niet het begin. Het verhaal bestaat tussen de lijnen door. Je vindt het in kleine plotse conversaties, aan barkrukken midden in de nacht, in woede-aanvallen en verdriet, in de ogen van anderen, in een andere stad, ladderzat en roepend in cafés, in dromen. Zoals vele verhalen bleef het onverteld. Iedereen heeft tenslotte zijn verhaal en wie interesseert zich tegenwoordig nog voor het verleden.

dinsdag, december 28, 2004

N.V.

Zij werkt overdag in een bedrijf dat dodelijker is dan een nazi-experiment en vooral langzaam verlamt. 's Avonds in haar bunker staart ze voor zich uit. Televisietoestel blijft aangesloten op de wereldwijde kots van tv-beelden. Ze staart met een absurd leeg hoofd en panikeert wanneer ze steeds weer getreiterd wordt door angsten en waanbeelden (dat de wekker elk moment ontzettend luid kan aflopen, dat de gaskraan lekt of dat er plots geen werk meer zal zijn). Veraf klinkt het hoge krijsen van een baby die tegen een deurpost gekwakt wordt tot hij zwijgt. Het behangpapier krult van de muren.

Naamloze vennootschap. De kleuren zijn zacht. Grijstinten. De airco maakt geen geluid en houdt het gebouw net ietsje te warm, te oncomfortabel om je goed te voelen. Geen buitenlucht en blinden voor de ramen. De schuiven zijn geolied. De deur is hermetisch afgewerkt met rubber.

Elke luchtverplaatsing loopt gecoördineerd. Stemmen bijten in telefoons met opmerkingen en dwingen hun plaats af in de hiërarchie. Dan komen de fouten en de vergissingen, de onbeantwoorde eisen en de verwijten. Steeds meer metaforen sneuvelen en de maatpakken krabben zich op het achterhoofd en vragen zich af of er iets schort aan het imago. De koers daalt.

De managers kletsen de hele dag door en zakken na zeven uur met lege magen af naar een bar voor een rondje op hun kosten. De wijn is uitstekend maar smaakt niet in de met tapijt gedempte bar. Lampenkappen van Joods leer. Aan het rechtse tafeltje een transseksueel die blauwe Belgam rookt. Niemand let erop en de manager zwetst voort. Trots op zijn jongste zoon. Als het wicht tekenen van ontevredenheid vertoont, zo vernemen wij, wordt het voor de buis neergeplant met een horrorvideo. Het monstertje gaapt verbijsterd met grote ogen. De manager lult voort en breekt de weg open, slaat de straatstenen in stukken en het stof waait op. Hij pocht en pocht en alles is te veel.

's Nachts als (als) de manager slaapt, ontdaan van zijn driedelig statussymbool, heeft hij een droom. Dezelfde droom en de enige droom die hij in jaren gehad heeft. Hij opent een deur en ziet zijn vrouw tegenover hem staan. Zijn vrouw zegt: "wanneer gaat nu die tweede badkamer klaar zijn schat?"

Klasseren, klasseren, klasseren, mompelt de misvormde dwerg. Hij is de rechterhand van de architect hier op de zevende verdieping. Een prestigieuze job. Omdat hij amper 1m20 lang is kan hij enkel gebruik maken van de onderste legplanken en schuiven in de kasten. Hij loopt op de verdieping rond als een gestresseerd stekelvarken in te diep water. Als we hem volledig en compleet beu zijn, zet ik hem wel eens op de bovenste plank in de wandkast. Dubbel glas en volledig geluidsdicht. Haal je hem er twee uur later uit, dan heeft hij uit pure frustratie de helft van het papierwerk opgeknaagd.

Creative Commons Licentie
Op dit werk is de Creative Commons Licentie van toepassing.